Jezus gaf niet op
De informatie op de interwebben kent geen grenzen, als de kalveren in de voorjaarswei springt het alle kanten op, als de wilde konijnen plant het zich voort. Het is wellicht niet eens mogelijk het als ‘informatie’ te benoemen: rijp en groen, oud en doordacht, alles, alles vind je naast elkaar en door elkaar. Daarom alleen al sterft het edele beroep van journalist voorlopig zeker niet uit, ook al zullen de kranten in hun dode-bomen vorm verdwijnen: we hebben ordening nodig temidden van deze onpeilbare chaos.
En als je zonder zelfbeheersing, verleid als het ware door een wit konijn dat verdwijnt door een gat in de grond, achter een feitje aan rent, ben je voor je het weet een uur of twee verder. Het enige dat je gedaan hebt is springen van ijsschots naar ijsschots, van interessant gegeven via een roddel naar een ander feitje, stuurloos, oeverloos, zoals gezegd als een kalf in het voorjaar, of als de verbanden in een droom, begrijpelijk tijdens het dromen, maar onbegrijpelijk bij het ontwaken.
Onlangs ben ik zo eens verdwaald en ben ik terecht gekomen bij een aantal bizarre sites. De aanleiding was een artikel in, ik meen de New York Times, over Wall Street bankiers die zich de spanningen van het lijf probeerden te houden door Fight Club achtige sessies te houden. De ironie van dat gegeven, de verbinding van de ideëen van Fight Club als sterke aanklacht tegen het consumentisme en Wall Street Bankiers als het ultieme symbool van de Westerse kapitalist, was intrigerend genoeg voor me om het artikel te lezen en zo begon een dwaaltocht op de interwebben die me uiteindelijk bij de Jezus van dit artikel terecht liet komen.
Wat bleek namelijk, dat er een aantal bankiers in Manhattan woonde die een sportschool bij hun appartement hadden aangebouwd (of gewoon een tweede appartement verbouwd hadden tot fight club). De klaarblijkelijke spanningen van hun werk, het verliezen van een paar miljoen dollar in de dagelijkse beurspraktijk, of het niet krijgen van een bonus wegens malprestatie, hadden een uitlaatklep nodig, aldus het artikel. En die uitlaatklep werd gevonden in gevechten totdat de tegenstander om genade smeekt.
Nader onderzoek wees uit dat dit soort gevechten bekend staat onder Mixed Martial Arts (MMA): nauwelijks regels en verschillende vechtsporten door en tegen elkaar. Nu zijn de bankiers natuurlijk geen professional in dit soort sporten, al zijn ze uiterst bedreven in het vechten op de beursvloer. Maar van de bankiers en de Fight Club was ik bij de MMA gekomen (waarvan ik het bestaan niet wist) en plotseling dook er op mijn dwaaltocht een christelijke groep MMA’ers op. Nieuwsgierig geworden door nog een paradox (was Jezus niet de vleesgeworden liefde?) kwam ik terecht bij de website Jesus didn’t Tap.
Ietwat verbijsterd dwaalde ik door deze voor mij nieuwe subcultuur: een predikant die zich ‘de gezalfde vechter’ (anointed fighter) noemt, citaten waarmee de zachtmoedige Jezus, de kindervriend uit mijn jeugd, bekleed werd met martiale trekken:
“When Jesus stepped inside the cage of life to take on the cross, human legs did not kicked his out from under him. It was not human hands that broke his arm during the arm bar of adversity. It was not a human fist that knocked him to the mat for our sins. It was not a human that kept him inside the triangle choke of suffering. It was not the fighter’s sent by Satan to tap him out that beat him.”
En de website heeft natuurlijk een winkel voor kleding, waar je onder andere sportbroeken kunt kopen met daarop een stuk leer genaaid (aan voor- en achterkant van het kruis!) met een afbeelding van hun logo: Jesus didn’t tap erop. Dit leer is overigens onmisbaar, vanwege een mogelijke trap in het kruis, er zijn immers nauwelijks regels. Ook tattoos met het logo erop zijn op de foto’s van de site veelvuldig te vinden.
Mijn relatieve onbekendheid met de engelse taal bracht me in het begin in verwarring over de titel: to tap, dat betekende toch ‘klappen geven’? Maar uiteindelijk bleek het, het genadesignaal te zijn, het klappen op de grond waardoor je je tegenstander duidelijk maakt dat je het gevecht opgeeft. De titel ‘Jesus didn’t tap’ betekent dus ‘Jezus gaf niet op’. En deze, voor mij onbekende kant van Jezus, werd nadrukkelijk verbeeld op diverse kledingstukken, zoals deze, waarop een gespierde Christus, met aureool en al op een onderliggende Satan inbeukt. De morele boodschap, dat het gaat om het verslaan van de zonde, 7 dagen per week, is hier duidelijk ondergeschikt aan het gevecht.
Hierbij aangekomen in deze droom-achtige dwaaltocht op het interweb, ben ik er mee gestopt, maar de ambivalenties bleven me de volgende dagen achtervolgen. En niet zozeer die tussen Fight Club en bankiers, want de ambivalentie van het hebben van bezit en het bezeten worden door datzelfde bezit is ons allen bekend. Maar de ambivalentie tussen de zachtmoedige Jezus (‘die op het zachte gras de mensen liefhad en genas’, aldus een waarschijnlijk slecht geciteerd kerklied) en de vechtersbaas van deze sub-cultuur, kon ik gewoon niet plaatsen. Bizar, was alles wat er bij mij overbleef.

Isabelle Adjani als Margarita, foto van Jean Daniel Lorieux, te vinden op de hiernaast geciteerde website
Pas toen ik afgelopen week ‘De meester en Margarita‘ van Boelgakow herlezen had, viel er bij mij in ieder geval een deel van het kwartje. In dit fenomenale werk, dat beter wordt naarmate je het vaker leest, draait het om de komst van de Satan naar het Moskou van Jozef Stalin. Een hilarisch gebeuren, dat de bestaande orde behoorlijk op de kop zet, maar dat tegelijk een metafoor is voor het totalitaire regime van dat moment. De Satan is trouwens in het boek niet zo zwartwit afgebeeld als op het bovenstaande t-shirt, iets wat bijvoorbeeld goed af te lezen is aan het motto van het boek, afkomstig van Goethes Faust:
“Maar goed, wie zijt ge dan? Deel van die kracht en sterkte die steeds het kwade wil en steeds ten goede werkt.”
Hoe dan ook, er komt een subplot in het boek voor, de beschrijving van de berechting van Jezus door Pilatus (“de zoon van de koning-sterrenwichelaar, de wrede vijfde procurator van Judea, de ridder Pontius Pilatus”) . Pilatus veroordeelt de ‘filosoof’ uit Nazareth, want Jezus’ bestaan is een opstand tegen de almacht in Rome (een verwijzing natuurlijk naar Stalin). Maar ondanks deze veroordeling, blijven de gesprekken tussen de procurator en de filosoof door zijn dromen spoken. Een bepaalde droom gaat alsvolgt:
“Zijn bed stond in het halfduister, tegen de maan afgeschermd door een zuil, maar van de traptreden naar het bed liep een strook maanlicht. En nauwelijks had de procurator de band met de hem omringende werkelijkheid verloren, of hij zette zich in beweging langs deze lichtende weg omhoog, rechtstreeks naar de maan. Hij lachte helemaal van geluk in zijn slaap, zo weergaloos mooi kwam hem alles voor op deze doorschijnende blauwe weg. Hij wandelde in gezelschap van Banga (zijn hond) en naast hem liep de zwervende filosoof. Ze discussieerden over een uitermate gecomplicerd en belangrijk probleem, zonder dat de een de ander wist te overtuigen. Op geen enkel punt konden zij elkaar vinden en dat maakte hun dispuut juist zo boeiend en eindeloos. Het spreekt vanzelf dat de terechtstelling van die dag op misverstand berustte, want daar liep immers de filosoof die een zo blatante ongerijmdheid had uitgedacht als zouden alle mensen goed zijn. En natuurlijk was alleen al de gedacht dat men zo’n man zou terechtstellen te gruwelijk voor woorden. De terechtstelling had niet plaatsgevonden! Geen sprake van! Dat was nu precies wat de tocht omhoog over de maantrap zo heerlijk maakte.
Er was vrije tijd naar believen, pas tegen de avond zou het onweer losbreken en lafheid was ongetwijfeld een van de ergste ondeugden. Zo sprak Jesjoea Ha-Notsri. Nee, filosoof, ik moet je tegenspreken: Het is de allerergste!”
Hier in dit citaat (uit de prachtige uitgave van G.A. van Oorschot uit 1997, typografie van Gerrit Noordzij, vertaald door Marko Fondse en Aai Prins, pagina 346 en 347) kom je dezelfde ambivalentie tegen als in de site ‘Jesus didn’t tap’: Enerzijds een Jezus die verklaart dat alle mensen goed zijn (een ‘blatante ongerijmdheid’) en anderzijds toch een ondeugd, ja de allerergste. De wereld na de komst van de Verlosser is blijkbaar niet helemaal perfect, maar de zonde die in de christelijke MMA-wereld eruit gebeukt wordt, wordt hier benoemd: het is de lafheid. Daar moet je tegen vechten, aldus Pilatus en Boelgakow.
Nou, eum, misschien is het verband tussen de Meester en Margarita en Jesus didn’t tap toch wat gekunstelder dan ik eerst dacht, en zo lijkt deze bewijsvoering als de droom die het surfen op de interwebben vaak is, of de droom van Pilatus, die zijn misdaad wilde ontkennen…

















Moed is een klassieke deugd. En in grote politieke redevoeringen wordt die opgeroepen. Denk maar aan JF Kennedy’s ‘ask not what your country can do for you …’
Athenaeum Boekhandels’ Weblog stelt terecht dat Nederland in de laatste decennia geen redenaars van dit kaliber kent. En ze citeren een indrukwekkend deel van de 4e Fillipica van Cicero uit 44 voor Christus:
‘Though death is indeed ordained by nature for all, a cruel and dishonorable death is generally warded off by courage, and courage is the badge of the Roman race and breed. Cling fast to it, I beg you, Men of Rome, as a heritage bequeathed to you by your ancestors! While all else is false and doubtful, ephemeral and inconstant, only courage stands firmly fixed with its very deep roots, which no violence can ever shake or shift from its place.’