Woestenij en Creatieve klasse
C.O. Jellema, dichter en kenner van de Laatmiddeleeuwse Duitse mystiek, heeft een bundel vertalingen van geschriften van Meister Eckhart ‘Over god wil ik zwijgen’ genoemd. Dit is een vertaling van een zinnetje uit Eckhart’s Boek van de goddelijke vertroosting:
ich wil gotes geswîgen.
Voor Eckhart heeft God een dubbele identiteit. Aan de ene kant is hij kenbaar, want hij is mens geworden en heeft liefgehad en geleden onder ons. In het grote gebod (Heb God lief boven alles en je naaste als jezelf) is hij als het ware nog steeds onder ons. Vleeswording wordt dat genoemd.
Maar Eckhart ziet ook een andere kant van God: een onkenbare kant, een godheid die het ondoorgrondelijke en onbeweeglijke Ene is, waar alles uit voortkomt. Deze godheid noemt hij een-zaam of Ein-oede: onbebouwd, mensenloos gebied, woestenij. Deze godheid is onkenbaar, een woestijn. Hierin worden we herinnerd aan de profeten en kluizenaars, aan Johannes de Doper en Mohammed, die in de woestijn, in het levenloze, naar het leven zochten.
Wat heeft deze religieuze gedachte van doen met de creatieve klasse van de titel dezes blogs? Met docenten beeldende kunst en vormgeving, met kunstenaars, grafisch ontwerpers, illustratoren, animatoren, websdesigners en interieurarchitecten? Wat heeft dit te maken met de seculiere ontwerpen en kunstwerken die door deze creatieve klasse trots getoond worden, als meesterproeven en visitekaartjes aan de wereld?
Een paar jaar geleden heeft het lectoraat Kunst en Reflectie van ArtEZ in samenwerking met VU podium een symposium georganiseerd met als titel ‘Kunst als morele vrijplaats’. In dit symposium is de vraag gesteld naar de grenzendoorbrekende functie van de hedendaagse kunst: “De hedendaagse kunst wil grenzen verleggen, ontregelen, taboes doorbreken, heilige huisjes omver trappen…” In het interessante debat waren verschillende mensen met elkaar in gesprek, onder andere de theater regisseur Gerrit Jan Reinders en het Christen Unie Tweede kamerlid Arie Slob. Deze laatste stelde als reactie op de voorbeelden die aangedragen werden van taboe-doorbrekende kunsten dat in de kunst niet alles mag. Hij stelde dat de gelovige in zijn geloof in God niet beledigd mag worden. Vloeken, pornografie, besmeuren van heilige symbolen: het zijn zaken die door de politiek verboden zouden moeten worden. Hij merkte verder op dat de kunst nu juist een plek is die door de meerderheid van de politieke deelnemers de hand boven het hoofd gehouden wordt, alsof ze onaantastbaar is. In de kunst mag alles wat elders niet mag en er is in Nederland geen discussie mogelijk over deze vrijplaats, was zijn stelling. Eigenlijk moet de kunst zelfbeheersing betrachten en moet de maatschappij van te voren al een aantal grenzen opstellen waar kunst en ontwerpen zich aan moeten houden.
In de discussie over de RVU serie ‘God bestaat niet’ van Rob Muntz en Jan van de Wint, herhaalt Arie Slob deze twee stellingen: De serie moet verboden worden, want ze beledigt de gelovigen.
De opvatting van het Christen Unie kamerlid zijn niet zo gemakkelijk tegenover die van de Laatmiddeleeuwse mysticus te plaatsen, omdat Slob uitgaat van zijn persoonlijke relatie met God en Eckhart het heeft over de godheid, een bijna onpersoonlijke relatie. Maar de onderscheiding van Meister Eckhart tussen de kenbare God en de onkenbare godheid is wel bruikbaar: Juist omdat er een deel van god fundamenteel zwijgt en onkenbaar is, is er ruimte voor onderzoek, ruimte voor menselijke vrijheid.
Als deze ruimte van te voren ingedamd wordt, zoals Arie Slob dat voorstaat, dan impliceert dat, dat hij weet wat de godheid en wie God is. De opvatting van Eckhart levert ruimte, niet alleen voor de kunst overigens, om de woestenij in te trekken om grenzen te overschrijden en taboes te doorbreken en door deze ontdekkingstocht een dialoog met elkaar aan te gaan over welke grenzen nu nuttig zijn en welke niet.
Wetende onwetendheid (de docta ignorantia van Cusanus, een andere Laatmiddeleeuwer) leert ons tolerantie ten opzichte van andere meningen en overtuigingen. We weten niet welke grenzen nuttig zijn en welke schadelijk als we ze niet onderzoeken. De tolerantie heeft dus een speelterrein nodig om zichzelf verder te ontwikkelen en sinds de Romantiek is de kunst bij uitstek dat speelterrein. In muziek en toneel, in schilderkunst en literatuur is steeds weer geprobeerd te onderzoeken wat leven maakt en wat doodt. Dit is natuurlijk geen opdracht, want dan wordt de kunst moralistisch. Dit is vrijheid die dialoog oproept.
De laatste tijd hoor en lees je veel over de creative class, de klasse van mensen die in creatieve beroepen de maatschappelijke ontwikkelingen aanjaagt en dus ook de economie voortstuwt. De hierboven beschreven functie van de kunst, als de speeltuin van de vrijheid, waarin luchtigjes en ernstig met de vragen van leven en dood gestoeid wordt, is mijns inziens niet een meer fundamentele, maar dé fundamentele verantwoordelijkheid van de creative class. En daarom mag de samenleving, van Nederland en van de wereld, blij zijn met voortdurend nieuwe lichtingen kunstenaars en ontwerpers.















Leave a Comment