Een nieuw jaar

Rembrandt: Hendrikje Stoffels
Het nieuwe jaar is net begonnen en dan is het altijd een mooi moment om terug te kijken naar het afgelopen jaar. De opmerkelijkste twee dingen aan deze blog in het afgelopen jaar waren: 1) dat ik het überhaupt begonnen ben en 2) dat het abrupt eindigde in oktober en daarna 2 maanden niets gebeurde.
Het begin is inderdaad opmerkelijk, en ik heb daar wel eens iets over geschreven in een eerder blogje: het had te maken met spanningen op mijn werk waardoor ik een emotionele uitlaatklep nodig had. Het einde, of liever gezegd het stilte-intermezzo, heeft waarschijnlijk net als het begin, een oorzaak in mijn werk: ik heb veel tijd gestoken in nieuwsbrieven en op een gegeven ogenblik is de energie op. Blijkbaar. En daarnaast zijn er veel spanningen geweest in de familie.
Nu ik dit overlees klinkt het wat klagerig. Er is ook iets anders aan de hand, iets wat vergelijkbaar is met een klus die je maar uitstelt: een mail die je niet beantwoordt of een telefoontje dat je niet doet. Hoe langer je de klus uitstelt, hoe moeilijker het is om het te beginnen.
Ik ga nu gewoon weer verder: een nieuw jaar, een nieuw begin, een nieuwe hoop.
Economische crisis, terrorisme, oorlog, ecologische crisis, honger. De krantenkoppen schreeuwen het ons voortdurend toe. Angsten hebben vaak te maken met tunnelvisie en oogkleppen. Ik bedoel niet dat je met een andere blik alle problemen kunt oplossen, maar ik denk wel dat je door een wijdere blik wat minder krampachtig en minder angstig door het leven kunt gaan. De ontwikkelingen kunnen ook de goede kant op gaan. De kerkvaders noemen dat genade en verbinden dat met Gods voorzienigheid.
Moge het jaar 2009, dat zo prachtig begon in sneeuw en ijs, en hoopvol met een inkomend African-American echtpaar in het Witte Huis, prachtiger en hoopvoller worden en moge de economische crisis de mensen dwingen om creatiever te worden en zich bezig te houden met zaken die voor hen wezenlijk zijn, zinvoller.
Als mooi voorbeeld van deze nieuwjaarsmeditatie heb ik gisteren in de New York Times een artikel gelezen over Rembrandt, van de hand van Holland Cotter: In the Gloom, seeing Rembrandt with new eyes. Even een stukje in mijn eigen vertaling:
“In het midden van de 17de eeuw was Nederland het meest welvarende land in Europa. Toen, in het midden van de eeuw, gedeeltelijk vanwege een leegzuigende oorlog, barste de bubbel. De Nederlandse kunstmarkt storte ineen. Mensen die dachten: ‘o, dit is maar een voorbijgaande fase’, kregen geen gelijk. De gouden tijd van de Nederlandse kunst was voorbij.
Rembrandt werd bijzonder hard geraakt. Een tiental jaren ervoor was hij een ster, met een wachtrij opdrachtgevers van wel een kilometer lang. Amsterdam, net als New York vandaag, was een stad met cultuur-begerige burgers die een Rembrandt in hun huizen moesten, moésten, hebben. Dus veranderde hij zich in een kunst machine, trok vele assistenten aan om zijn werken af te maken en werd rijk.
Hij werd ook zorgeloos en sloot veel te hoge leningen af. Naast zijn schilderwerk, storte hij zich ook op de verkoop van kunstwerken en niet alleen zijn eigen werk. Hij kocht bijvoorbeeld een Rubens om door te verkopen. (…)
Met de economische crisis viel alles uit elkaar. Schuldeisers sloegen op de deur, cliënten verdwenen. Hij werd bankroet, verdween uit de mode, werd een loser. Andere kunstenaars dachten dat het een kwestie van tijd was voordat de Nederlandse markt zich zou herstellen. Mijn inschatting is, dat Rembrandt dat niet deed. In ieder geval schilderde hij nu niet meer alsof hij dat geloofde. Hij had te veel verloren. Hij ging zijn eigen weg.”
In het middendeel van artikel, dat ik niet vertaal, bespreekt hij een aantal schilderijen van Rembrandt en vergelijkt hij hem met onder meer Vermeer, en hij eindigt met zijn sterkste argument voor zijn stellen dat Rembrandt door de economische crisis zijn eigen weg gaat: een schilderij van Hendrikje Stoffels uit 1660 (het hangt in het Metropolitan Museum in New York):
“Uiteindelijk past het schilderij in een genre. Het is een conventioneel portret van een burger in een specifieke setting. Een soort dat Rembrandt heel vaak heeft geschilderd en voor een aanzienlijk inkomen. Maar nu voelt hij zich vrij om sommige conventies te laten varen en andere dingen toe te voegen: hij laat zijn burger zitten als een sibylle of een koningin, hij verlicht haar met compassie als licht. Resultaat is een schilderij dat oplicht als een smeulende turf: laag, warm en langbrandend.
Ik zeg niet dat de zware tijden alleen dit schilderij produceerde. Rembrandt en kunst zijn zo veel meer gecompliceerd dan dit. Maar toen hij getest werd door de omstandigheden, keerde hij op de een of andere manier catastrofe om in gelegenheid, zwakte in kracht. Van bijna niets, een beetje verf, een stukje doek, een bevrijde geest en een onbezwaard hart, maakte hij dit.”
Ik weet niet of deze analyse klopt en ik weet te weinig van de 17e eeuw af om te weten of het verhaal over de economie klopt. Ik weet echter wel dat het een prachtig schilderij is. En dat ik vorig jaar (of was het het jaar daarvoor?) bij de grote tentoonstelling van Carravagio en Rembrandt, verbijsterd was door Rembrandts Bathseba: schoonheid en kwetsbaarheid ineen. En ik weet zeker dat er naast een onbegrijpelijk uniek talent ook een geestelijke vrijheid nodig is om zulk soort werken te maken. Dus sluit ik me aan bij de laatste zin van het artikel en wens onszelf een bevrijde geest en een onbezwaard hart.















Leave a Comment