Kunst en mystiek II
In het vorige stuk over de vaste collectie van de Hamburger Bahnhof, ‘Kunst en mystiek I’, zeg ik iets over de Joseph-Beuys-en-Anselm-Kiefer-visie op kunst: ‘materie en troost’ heb ik dat daar genoemd, misschien een beetje pathetisch, iets dat in mij opkomt als ik, net als de Clyde uit de Witches of Oxford een beetje te veel gedronken heb, of ook soms, sober, staande voor een kunstwerk van Anselm Kiefer.
Ik heb daar beloofd ook iets te zeggen over het tweede standpunt, verbeeld door Cy Twombly en Andy Warhol en Jef Koons. Als je het Hamburger Bahnhof binnen gaat en in de grote centrale hal naar rechts gaat kom je uit bij de Amerikaanse tijdgenoten van Beuys en Kiefer, met als grote vertegenwoordiger Andy Warhol.
Ik heb een poos geaarzeld over het vervolg van het vorige blog, daar het allemaal nogal grote woorden zijn: troost, kunst, werkelijkheid, moraal, autonomie. En bovendien ben ik helemaal geen kunsthistoricus, dus zal ik wel op de tenen van een aantal opvattingen tegelijk staan. Maar het afgelopen weekend kreeg ik een associatie die me plotseling een ingang bood bij het opschrijven van dit vervolg. We zijn met een aantal vaste vrienden zoals elk jaar op een kampeerweekend gegaan, oorspronkelijk ingesteld om de kampeeruitrusting te testen. Dit weekend vindt plaats in een camping van staatsbosbeheer. En in mijn jeugdherinneringen zijn de bossen van staatsbosbeheer tot en met einde van de jaren ‘90, bijvoorbeeld rondom Ommen of langs de randmeren in de Flevopolder, nogal geometrisch en strak aangelegd. Het zijn vlakken met naaldbomen in strakke rechte lijnen, met een dik bruin dek van dode naalden op de grond, zelfs in een warme zomer nog steenkoud. Roodkapje of Kleinduimpje en zelfs Sneeuwwitje zouden inderdaad bang worden in zulke eindeloze bossen. Daar is geen wolf of reus of boze stiefmoeder voor nodig, het bos is voldoende.
Deze strenge geometrische bossen waren voor de na-oorlogse periode hetzelfde wat de lopende band van Henry Ford was voor de hele twintigste eeuw: de overwinning van de wetenschappelijke techniek op de chaotische werkelijkheid rondom en in de mens.
Als je nu echter in deze bossen bent, bijvoorbeeld op een kampeerweekend zoals wij, dan valt je iets op wat zich de laatste 5 jaar heeft ontwikkeld: De naaldbossen zijn niet helemaal verdwenen, maar in ieder geval zeer uitgedund. Hele stukken grond zijn uitgegraven tot vennetjes, terwijl de verplaatste grond er naast ligt, opgehoogd tot heuveltjes en de braakliggende grond is niet beplant met nieuwe bomen, maar begroeid met riet en snel opschietende berkeboompjes, ondersteund door de enkele spar die is blijven staan. En, nog schokkender voor iemand die de zich de geometrische bossen van de jaren 70 en 80 herinnerd, bomen die omgevallen zijn, blijven gedeeltelijk liggen. Er wordt nog steeds wel hout gewonnen, maar lang niet meer zo efficiënt als een decennium of wat geleden.
Dit bosbeheer lijkt als twee druppels water op wat er momenteel op grote schaal gebeurt in de landbouwgrond van Nederland. Waar de Nederlander sinds de dagen van Leeghwater grote trots in had om meer land uit het water te winnen en dit in te zetten tot agrarisch nuttig en economisch winstgevend gebied, lijkt het er op dat we nu een omgekeerde beweging inzetten: een teruggave aan de natuur, een verandering van vruchtbaar en voedselproducerend land in het moeras dat het vroeger, voordat de mens er zijn rekenend vernuft op los liet, ook geweest is.
Roodkapje, Kleinduimpje en Sneeuwwitje en al die andere onbewuste personae uit het Germaanse bewustzijn zullen zich behoorlijk thuis voelen in deze opvatting van natuur. Op de Veluwe lopen nu al roedels wolven rond. En de dwergen en reuzen, de dochters van de Rijn uit de Nibelungen, de witte Wieven en Ellert en Brammert, die in de twintigste eeuw nog verbannen waren naar kinderboeken en magisch realisme kunnen zich binnenkort ook weer gaan vertonen te midden van de nevels die opstijgen uit de nieuwe moerassen, die de planners op hun tekentafels in de ministeriële torenflats hebben verzonnen.
De nieuwe natuuropvatting: van strenge geometrie en direct economisch nut naar een vorm van terugkeer naar de schijnbare chaos van de oer-moerassen en een indirect economisch nut van het toerisme. Terugkeer? Nee, innovatie en geen terugkeer naar natuur, want het is onze menselijke beslissing, bedoeld om de biodiversiteit te verbeteren en toeristische behoeften te bevredigen. En inderdaad zijn er inmiddels meer vogeltjes te horen en meer planten te zien tijdens onze jaarlijkse kampeerweekend. Ook de hoeveel muggen lijkt aan te zwellen.
De bossen van de tweede helft van de twintigste eeuw met hun strenge geometrie, dreigender en donkerder voor een kind, maar zeker meer productief in houtproductie dan de oerbossen van de gebroeders Grimm, lijken in zekere zin op de tweede kunstopvatting in de Hamburger Bahnhof.
Andy Warhol, die in dezelfde tijd in zijn Factory kunst produceerde als Staatsbosbeheer zijn efficiënte bossen liet ontstaan, was afkerig van de mystiek die zo duidelijk in Beuys en Kiefer aanwezig is. Voor hem geen combinatie van materie en troost. Allemaal illusie. Ik weet niet zo vreselijk veel van hem af, maar als je zijn kunstwerken ziet dan probeert hij het tegendeel van diepte te bereiken, een tegendeel dat gespeend is van enige emotie: alle dingen die wij als het meest emotioneel, het meest menselijk en het meest existentieel ervaren worden door hem oppervlakkig behandeld. Zelfmoord, auto-ongelukken, electrische stoelen en sterrencultus rondom Marilyn Monroe, Elvis Presley, Mao en wat al niet: het zijn voor hem zaken die je tien- of twintigvoudig kunt vermenigvuldigen met zeefdruk, achteloos, alsof het van geen belang is, alsof de oppervlakte, die visueel zichtbaar is, belangrijker is, dan de emotionele lading. Voor de moordenaar die op de electrische stoel terecht gaat komen is zijn dood uniek, authentiek. Voor Warhol is deze gebeurtenis slechts oppervlakte, waaronder niets zit, aanleiding voor efficiënte vermenigvuldiging, los van uniciteit. Net als de geometrische bossen: niks uniciteit van de bomen, niks geen communicatie met de boom, zoals telgen van het Huis van Oranje het plegen te doen, niks geen Wagner mystiek, geen Grimmse bomen die je kunnen wurgen of beschermen: alleen economische efficiëntie.
Ook andere aspecten van de hedendaagse cultuur behandelt hij op dezelfde massreproducing manier als de uniciteit van de existentiële hoogtepunten van het menselijk bestaan: reproducties van Brillo schuursponsjes en Cambell soepblikjes, naast reproducties van een autobotsing tegen een ambulance, met een lijk hangend uit een kapot autoraam, het is allemaal van dezelfde emotieloze laag, efficiënt, praktisch, feitelijk. Met opzet zonder diepgang.
Een andere Amerikaan, Cy Twombly, die ook in de Bahnhof hangt, doet iets vergelijkbaars, maar dan niet met de hedendaagse cultuur, maar met de antieke Griekse cultuur. Een cultuur die op gezette tijden in het Westen op grote voetstukken gezet werd als hoogstaand en diepzinnig, denk aan de Renaissance met Ficino of aan de hoogtijdagen van de Duitse cultuur met Winckelmann, wordt bij Twombly opgepakt in graffity stijl, met opzet zonder diepgang.
‘I am Thirsys of Etna, blessed with a tuneful voice’, staat gekalkt op het middenstuk van het drieluik, bij uitstek in de schilderkunst bedoeld voor een altaarstuk, vaak met een afbeelding van de kruisiging in het midden.
Niet voor niets heeft het museum op een wand in deze sectie een prent van Warhol (een Marilyn Monroe) opgehangen naast een icoon. Een icoon is geen uniek werk: het is een verwijzing naar een goddelijke werkelijkheid en moet dus absoluut niet opgevat worden als een product van een individuele expressie door een kunstenaar. De vormen van de icoon zijn historisch vastgelegd: deze gelaatsuitdrukking van de Verlosser, deze van de Maagd, zo de hand en deze woorden op die plek.
Geen individualiteit, maar wel een verwijzing naar de Eeuwige en gek genoeg is die of dat Eeuwige op de een of andere manier toch ook aanwezig in de icoon. De gelovigen behandelen het icoon, zoals de minnaar het portret van zijn beminde, en de gescheidene het portret van het voormalige gelukkige gezin behandelt: het wordt beschouwd als of de Eeuwige op de een of andere manier deel uitmaakt van de icoon.
Sum-ballein = samenvallen en in het icoon vallen twee dingen samen: het betekenende en het betekende. In dit beeld, het icoon, komen twee werkelijkheden bijeen, die van God en van het beeld en zijn onscheidbaar. In de oppervlakte zit de betekenis, zegt de icoon. In de oppervlakte zit de betekenis zegt Warhol. Maar het fascinerende (interessante en verontrustende) bij hem en zijn kunst is nu juist dat hij uit alle macht probeert om die twee dingen uit elkaar te halen. Het is inderdaad opmerkelijk dat iets zo intiems, zo spectaculair unieks als de dood van een mens, zo gemakkelijk reproduceerbaar is. Wat zegt deze reproduceerbaarheid over de existentie?
Ook de nieuwe bos-opvatting van staatsbosbeheer is een gevolg van menselijke planning. Een foto van zo’n bos is niet hetzelfde van een foto van zo’n bos 10.000 jaar geleden. Al was het maar omdat er toen geen foto’s waren en omdat er nu wegen zijn die mij snel en gerieflijk naar het hart van deze nieuwe natuur brengen. Nee het is anders dan de bossen voordat de mens er was, louter en alleen omdat wij, mensen, dit bos gewild hebben. Het is in zekere zin onze eigen wil die dit voortbrengt. Hoewel, eigen wil? Deze wil is ontstaan als gevolg van een heleboel verschillende krachten, waaronder niet het minst de economische kracht van het toerisme, waar momenteel meer mee te verdienen valt dan met loutere houtproductie.
Onze wil die de geometrische bossen plande en nu de nieuwste, meer biodiversiteit voortbrengende, bossen is dus niet zo makkelijk te verbinden met mijn eigen wil: in hoeverre ik dat wil of gewild heb is niet duidelijk, net zo min als de wil van mijn buurman. Het is een groot anoniem proces geweest dat lijkt alsof wij mensen dit bedacht hebben, maar dat meer een eigen dynamiek heeft.
Ook onze waardering voor deze nieuwe natuuropvatting is maar voor een heel miniem klein gedeelte van mij persoonlijk afkomstig: het lijkt wel alsof ik deze nieuwe natuur interessanter en zelfs ‘meer natuurlijk’ vindt dan de geometrische bossen, maar mijn mening is voortdurend beïnvloed door enorm veel factoren: de media, de mensen met wie ik spreek, de beelden die ik zie… Door een mysterieus osmotisch proces wordt dus zowel de gezamenlijke menselijke wil geproduceerd als mijn persoonlijke mening. En dan wordt de kunstopvatting van Warhol cs interessant: mijn mening, die ik als hoogstpersoonlijk ervaar, die mijn diepste ik vertegenwoordigd, is het gevolg van heel veel krachten en misschien helemaal niet zo uniek als ik zelf veronderstel. En dat op zijn beurt is weer een nieuwe vorm van mystiek: de mens die weliswaar het zinloze product van een autonoom proces is, is in ieder geval in staat dat proces een beetje te bezien. Niet te veranderen of om te buigen, maar te bezien en te overdenken, en er ontroerd van te worden.
Dus ook in deze tweede opvatting: kunst als troost, maar dan op een andere manier, minder op de manier van de nieuwe natuuropvatting, van de bewuste terugkeer naar de Grimmse bossen, en meer op de manier van de geometrische bossen van het naoorlogse Nederland, die hoewel geometrisch, zeker niet zonder emotie waren voor een klein jongetje dat huiverend in zijn te dunne zomerse kleren op een door zijn vader in elkaar gelaste fiets snel over het bruine naaldentapijt fietste naar de eveneens door staatsbosbeheer aangelegde recreatieplas.















Leave a Comment