Metaalmoeheid bij films?
Vorig jaar zomer heb ik voor de zoveelste keer de Gebroeders Karamazov van Dostojewski gelezen. Het boek blijft mooi en zonder enige metaalmoeheid: ik kan me voorstellen dat ik het over een paar jaar met het zelfde genoegen opnieuw lees. Ook Possession van Byatt: ik geloof dat ik het nu drie keer gelezen heb, de laatste keer een jaar of drie geleden. En bij het typen van deze zin krijg ik er weer trek in.
De winter is voorbij, maar het genoegen in bed te lezen, met het dekbed zoveel mogelijk over mijn hoofd, een warme kruik bij de voeten en Les Miserables of de graaf van Monte Cristo, of een Dickens (allemaal voor de 3e of 4e keer) … daar kan geen Sporthuis Centrum of Disneyworld tegenop. Of straks in de zomer, bij de tent, met een koud biertje onder handbereik Consider Phlebas voor de 3e of 4e keer lezen.
Ook voor schilderijen of beeldhouwerken, net als trouwens voor gedichten nu ik er over nadenk, geldt dit genoegen: bij het voor de tweede of derde keer bekijken heb je weliswaar andere ervaringen dan de eerste keer, maar je ontdekt ook vaak nieuwe dingen in deze werken en me bekruipt eigenlijk nooit de argwaan dat de volgende keer deze werken zullen gaan tegenvallen. Tenminste niet die werken die interessant genoeg zijn.
Maar dat heb ik bij films eigenlijk nooit of bijna nooit. De tweede keer een film bekijken die mij bij de eerste keer ontroerd heeft, levert wel een interessante ervaring op, maar de film wordt er niet interessanter door. Onlangs heb ik Apocalypse Now voor de derde keer gezien. De eerste keer was begin jaren ‘80 in een bioscoop in Parijs. Deze locatie was overigens toeval: we waren daar op vakantie en zagen de aankondiging. De ervaring van die eerste keer staat me nog goed bij: ik was toen zwaar onder de indruk van de beelden, de muziek, de ‘horror, horror’ – scenes van captain Kurtz, de helicopters met de operateske Wagner-geluiden, het vreedzame dorpje dat zo meteen in een vuurzee uit elkaar zou spatten, de drugs, de zinloosheid. Enfin, iedereen die deze film gezien heeft, zal zich moeiteloos herkennen in deze opsomming van heftige beelden. Maar wat ik die eerste keer niet begrepen heb, was het plot: ik kon na afloop van de film niet na vertellen waarover die ging, terwijl ik emotioneel toch ongeveer zo aangeslagen was als de aarde na de comeet-inslag 65 miljoen jaar geleden.
Bij de tweede keer bekijken, een paar jaar geleden vielen me drie dingen op: Ten eerste kon ik me bijna elke scene herinneren, ik ontdekte eigenlijk geen nieuwe details. Ten tweede was ik lang niet zo aangeslagen, hoewel ik het nog wel een goede film vond. Ten derde begreep ik het plot. Ik begon te begrijpen waar het Francis Ford Coppolla om te doen was, wat hij had willen overbrengen en vooral met welke filmische middelen hij dat probeerde te doen.
Ik heb dat vaker bij mezelf ervaren en zoek het soms zelfs op: een eerste keer kijken van een film levert een oordeel op: goede film of slechte film. Een goede film is een film waarin ik meegesleept wordt, emotioneel of esthetisch of hoe dan ook.
Een tweede keer kijken van een goede film levert dezelfde ervaring op als het voor het eerst bekijken van een slechte film: ik neem de regisseursplaats in en begin te analyseren welke middelen hij gebruikt om te bereiken wat hij wil bereiken. Bij een goede film lukt hem dat dus en bij een slechte film niet, wat dus op zich interessant genoeg is.
Vanwege deze ervaring (die misschien eerder een regel met uitzonderingen dan een natuurwet is) durf ik eigenlijk een aantal films die ik vroeger erg goed vond niet meer te bekijken. Dat geldt niet alleen voor Ben Hur, de eerste film die ik in de bioscoop heb gezien (een zaaltje in Hogeveen), maar ook voor de werken van Tarkowski, Metropolis van Frits Lang, de films van Ingmar Bergman en nog zo wat.
Waarom zou dat zijn: dat boeken ook bij het 2e en 3e keer lezen boeiend blijven, maar films na de eerste keer al hun magie verloren hebben?
Misschien omdat films eigenlijk alles al uitspellen. Bij een tweede keer een film bekijken valt je niet iets nieuws op: je hebt alle details al gezien. We zijn de laatste eeuwen natuurlijk ook heel sterk visueel getraind en daardoor ontgaat ons niet zo heel veel van zo’n film. Bij een schilderij of een beeldhouwwerk zou je datzelfde verwachten, maar omdat zo’n werk meestal iets vooraf of erna veronderstelt, iets wat door de toeschouwer ingevuld moet worden op basis van het ’statische’ werk, is dat iets wat de volgende keer weer anders kan aanvoelen. Een boek spelt veel meer uit dan een schilderij, maar het zijn woorden, geen beelden. De beelden ontstaan in het hoofd van de lezer bij het lezen van de tekst, en liggen dus niet heel erg vast.
Een film stimuleert dus veel minder dan een boek, een schilderij of een beelhouwwerk de verbeeldingskracht van de beschouwer. Misschien is dat de verklaring voor de metaalmoeheid die ik eerder bij films dan bij boeken en schilderijen ervaar.















Leave a Comment