Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny
Opera met groot orkest in drie akten van Kurt Weill, tekst door Bertolt Brecht uit 1929. Bijgewoond op zaterdag 26 april 2008 in de Komische Oper in Berlijn, onder leiding van Hermann Bäumer.

Bertolt Brecht
(* 1898 in Augsburg / + 1956 Berlin)
en Kurt Weill
(*1900 in Dessau / + 1950 in New York)
hebben met elkaar in 1928 hun eerste grote project uitgevoerd: de Drie stuiver opera, of Dreigroschenoper. Een jeugdproject waarin kritiek op de burgerlijke cultuur en marxistisch-socialistische utopie hand in hand gingen.
In deze opera, ‘die zo goedkoop moet zijn dat ook bedelaars hem kunnen bezoeken’, wordt oa het leven van een schuinsmarcheerder en zijn vriendinnen beschreven. De tekst heeft nooit heel veel indruk gemaakt op mij. Wel de muziek van Weill: het lied Seerauber Jenny en Die Ballade von der sexuellen Hörigkeit. Vlotte, goed in het gehoor liggende muziek.

Kurt Weill beschrijft de synopsis van hun tweede gezamelijke opera uit 1929, Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny, als volgt:
“Twee mannen en een vrouw, op de vlucht voor de politie (‘die Konstablern’), blijven steken in een lege woestenij. Ze besluiten een stad te stichten, waar de behoeftes van de mannen die uit de Goudkust komen bevredigd kunnen worden. In deze ‘Paradijsstad’, die hier ontstaat, leidt men een beschouwelijk, idyllisch leven. Maar dat kan de Goudkust-mannen op den duur niet bevredigen. Ontevredenheid heerst. De prijzen dalen. In de nacht van de taifoen die op de stad af raast, vindt Jim Mahonney de nieuwe wet van de stad uit. Deze wet luidt: ‘Jij mag alles.’ De taifoen buigt af. Men leeft verder volgens de nieuwe wetten. De stad bloeit op. De behoeften stijgen – en met hen de prijzen. Want: je mag dan wel alles, maar alleen als je het betalen kan. Jim Mahoney zelf wordt, als hij blut wordt, ter dood veroordeeld. Zijn terechtstelling wordt de aanleiding voor een grote demonstratie, die het einde van de stad aankondigt.”
De muziek van deze opera is veel minder snel toegankelijk dan die van de Dreigroschenoper, en tegelijk veel interessanter. Maar ook de tekst is interessanter.
De inhoud van de opera is de complexe kritiek van Bertolt Brecht en in mindere mate Kurt Weill op het kapitalisme: Een cultuur gebaseerd op beschouwelijkheid en op orde en rust is niet bevredigend, maar de reactie erop: ‘Du darfst’, je mag alles wat je wilt als je maar betalen kunt, is evenmin bevredigend, omdat het venijn juist in dat betalen zit: als je geen geld hebt, kun je niet meedoen met het ‘Du darfst’.
Het interessante is nu, dat het kapitalisme in deze opera volgens de jongens Weill & Brecht, of in ieder geval volgens deze interpretatie, niet voortkomt uit begeerte of geldzucht, maar uit verveling en saaiheid van de vita contemplativa en de zogenaamde hoge kunsten. De hoofdpersoon Jim Mahonney wordt bijvoorbeeld gevraagd door zijn vrienden om mee vissen te gaan. En hij vraagt zich dan af wat dat voor een leven is! Maar bij het vissen denkt iedereen die ook maar iets gelezen heeft van de werken van Marx aan de gelukzalige toestand van het arbeidersparadijs, de socialistische heilsstaat: waarin iedereen gezamenlijk bezitter is van de productiemiddelen en waarin men kan doen wat in hem opkomt: vissen of vrijen met zijn vriendin, want er bestaat geen fout bewustzijn meer.
In de foto links zie je deze Jim Mahonney zitten en twijfelen aan de gelukzaligheden van de cultuur en het vissen, terwijl zijn vrienden ‘genieten’ van klassieke muziek.
Eigenlijk gaat deze opera dus niet zozeer over het kapitalisme versus de arbeider, maar over de wisselwerking tussen de stad en het individu. De stad is de plek waar de verleidingen zich bevinden, waar alles mogelijk is: de saaie hoge cultuur, maar ook de bevrediging van de lagere, interessantere lusten. Het individu wordt na 7 jaar hard werken in de bossen van Alaska, met de zakken vol met goud, aangetrokken door de mogelijkheden van de stad.
Wat in ieder geval wel klassiek marxistisch is aan Mahagonny, is het gegeven dat in het kapitalisme alles tot gebruiksgoed is geworden, ook de liefde is te koop, en dus niet meer bevredigend. Misschien dat dat verklaart waarom de zogenaamde hogere cultuur niet interessant is voor Jim Mahonney, maar als dat de bedoeling was van Brecht/Weill, dan is dat niet opgepakt door deze uitvoering.
In de opvoering van Bäumer in de Komische Oper is er nog een aspect zwaar onderbelicht gebleven: het gegeven dat Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny een anti-passie is, een kritiek op het christelijke passieverhaal. Bert Brecht is tijdens de eerste Wereldoorlog nogal kritisch over alle religie geworden: religie houdt zich bezig met het produceren van geboden, maar niet met het oplossen van de problemen is zijn stelling (zo bijvoorbeeld in het toneelstuk Der Gute Mench von Sezuan uit 1938).
Er is in Mahagonny een Christus-figuur: Jim Mahonney, maar die is gericht op het bevredigen van zijn eigen lust en heeft alleen een liefdesrelatie met een prostitué, waarbij het woord ‘liefdesrelatie’ nogal overdreven is: hij betaald en zij verleend diensten. Er is een deus-ex-machina, waarbij God aan het einde op komt duiken om alles goed te maken, maar dat eigenlijk niet doet. Dit gebeurt in een ‘Gott kam zu Mahagonny’ lied, waarbij God naar Mahagonny komt, maar verder niets doet aan het lot van Jim Mahonney. Dit draagt in het libretto bij aan het anti-passie karakter van de opera. Echter in de hier besproken uitvoering komt dit aspect eigenlijk niet aan de orde: het lied wordt wel gezongen, maar er is geen God te zien of te horen. Het speelt ook geen dramatische rol.
De interpretatie van de opera door de Komische Oper was dus al twijfelachtig, maar ook de uitvoering ervan was op een paar uitzonderingen na niet zo interessant: de prostitué Jenny was in toneelspel en zang teleurstellend. Jim was wel goed, en het koor qua zang ook wel, maar de enscenering was ronduit saai: de oppervlakkige verwijzingen naar sex en geweld en dronkenschap lagen er zo dik boven op, dat ik van de weeromstuit dacht dat ze iets anders betekenden. De grote zakken met geld, die steeds maar leeggegooid werden op het toneel, waren ook te veel van het goede.
Het enige wat interessant was aan deze uitvoering, was de wisselwerking tussen de teksten die ‘getypt’ werden op het decor en de handeling op het toneel. Bijvoorbeeld toen de dood van een van Jim’s vrienden (die zichzelf dood-vrat) eerst in tekst verscheen en ook door de vriend gelezen werd, die vervolgens door de schrik van het lezen van zijn doods-aankondiging dood neerviel.
De hopeloosheid die Bert Brecht bedoelde voor deze opera: “Können einen toten Mann nicht helfen….Können uns und euch und niemand helfen!”, wordt in deze uitvoering nergens geraakt. Zelfs de dood van Jim, buiten het beeld, is niet een hoogtepunt.
Jammer.















Leave a Comment