Secularisatie II
De aanleiding
Mevrouw de Wit, een kunstenaar van wie ik hiernaast een beeldend experiment heb geplaatst heeft een uitvoerige reactie achtergelaten op ‘bestaat God’.
Mijn stukje is voor niet-ingewijden in deze materie waarschijnlijk te cryptisch, realiseer ik me bij het lezen van haar commentaar. Waar ik toen, bij het debat over het bestaan van God, namelijk geïntrigeerd door was, was niet zozeer de redeneringen over het al dan niet bestaan van God en de aard van zijn bestaan (hoezeer ik daar meestal ook mee bezig ben), maar een paar randverschijnselen:
- het feit dat er op dit debat zoveel mensen zijn af gekomen, maar dat al die mensen uit een heel duidelijk afgebakende sociale klasse komen: bejaard, en blank, en waarschijnlijk middenklasse. Je kunt ze waarschijnlijk makkelijk classificeren volgens de sociale milieus van Motivaction: ergens in de groepen Moderne burgerij, Post-materialisten of Kosmopolieten. En dat terwijl je zou verwachten dat de vraag naar het bestaan van God ook andere milieus zou leven.
- het feit dat er een grote homogeniteit in de lezingen zat, terwijl het veel interessanter zou zijn geweest als er ook evangelical of orthodox reformatorische standpunten enerzijds en agnostisch / atheïstische standpunten anderzijds (zoals die van de echtgenoot van Mevrouw de Wit) te berde zouden zijn gebracht. Ik heb ook iets gezegd over de aard van die homogeniteit van de lezingen, maar dat had bij nader inzien veel uitgebreider gekund. En eigenlijk weerspiegelt de homogeniteit in de lezingen ook de homogeniteit in het publiek.
Vanwege deze bovenstaande interesses, die meer over de vorm van het debat gingen dan over de inhoud, ben ik schromelijk tekort geschoten in het weergeven van de gedachtelijn van de sprekers. Het is dan ook veel te kort door de bocht om in de lezing van Hendrikse uit de historische waarheid (namelijk: er zit veel tijd en afstand tussen de gebeurtenis en de beschrijving) te concluderen dat God, of JHWH, een gebeurtenis is. Die laatste bewering doet Hendrikse vanwege een aantal redenen, één van de belangrijkste redenen is dat hij nadenkt over de betekenis van de naam van God, JHWH, zoals die in het bijbelverbaal bij het Brandende Braambos wordt uitgelegd.
De tekst
Eerst maar eens de tekst zelf en die in de Nieuwe Bijbelvertaling van het NBG van 2004, het tweede bijbelboek Exodus hoofdstuk 2, vers 23 t/m hoofdstuk 3 vers 17 :
“Jaren gingen voorbij, en de koning van Egypte stierf. Maar de Israëlieten gingen nog altijd onder dwangarbeid gebukt. Ze klaagden luid en hun hulpgeroep steeg op naar God. God hoorde hun jammerkreten en dacht aan het verbond dat hij met Abraham, Isaak en Jakob had gesloten. Hij zag hoe de Israëlieten leden en trok zich hun lot aan.
Mozes was gewoon de schapen en geiten van zijn schoonvader Jetro, de Midjanitische priester te weiden. Eens dreef hij de kudde tot voorbij het steppeland, en zo kwam hij tot bij de Horeb, de berg van God.
Daar verscheen de Engel van de HEER aan hem in een vuur dat uit een doornstruik opvlamde. Mozes zag dat de struik in brand stond en toch niet door het vuur werd verteerd. Hoe kan het dat die struik niet verbrandt? dacht hij. Ik ga dat wonderlijke verschijnsel eens van dichtbij bekijken. Maar toen de HEER zag dat Mozes dat ging doen, riep hij hem van uit de struik: ‘Mozes! Mozes!’ ‘Ik luister,’ antwoordde Mozes. ‘Kom niet dichterbij,’ waarschuwde de HEER, ‘en trek je sandalen uit, want de grond waarop je staat, is heilig. Ik ben de God van je vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob.’ Mozes bedekte zijn gezicht, want hij durfde niet naar God te kijken.
De HEER zei: ‘Ik heb gezien hoe ellendig mijn volk er in Egypte aan toe is, ik heb hun jammerklachten over hun onderdrukkers gehoord, ik weet hoe ze lijden. Daarom ben ik afgedaald om hen uit de macht van de Egyptenaren te bevrijden, en om hen uit Egypte naar een mooi en uitgestrekt land te brengen, een land dat overvloeit van melk en honing, het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten. De jammerklacht van de Israëlieten is tot mij doorgedrongen en ik heb gezien hoe wreed de Egyptenaren hen onderdrukken. Daarom stuur ik jou nu naar de farao: jij moet mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte wegleiden.’
Moze zei: ‘Maar wie ben ik dat ik naar de farao zou gaan en de Israelieten uit Egypte zou leiden?’ God antwoordde: ‘Ik zal bij je zijn. En dit zal voor jou het teken zijn dat ik ik je heb gestuurd: als je het volk uit Egypte hebt weggeleid, zullen jullie God bij deze berg vereren.’
Maar Mozes zei: ‘Stel dat ik naar de Israelieten ga en tegen hen zeg dat de God van hun voorouders mij gestuurd heeft, en ze vragen me, ‘Wat is de naam van die God?’ Wat moet ik dan zeggen?’ Toen antwoordde God hem: ‘Ik ben die er zijn zal. Zeg daarom tegen de Israëlieten: ‘IK ZAL ER ZIJN heeft mij naar u toegestuurd.”
Ook zei hij tegen Mozes: ‘Zeg tegen hen: ‘De HEER heeft mij gestuurd, de God van uw voorouders, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob. En hij heeft gezegd: ‘Zo wil ik voor altijd heten, met die naam wil ik worden aangeroepen door alle komende generaties.” Laat de oudsten van Israël bij elkaar komen en zeg tegen hen: ‘De HEER, de God van uw voorouders, is aan mij verschenen, de God van Abraham, Isaak en Jakob, en hij heeft gezegd: ‘Ik heb gezien wat jullie in Egpte wordt aangedaan en ik heb mij jullie lot aangetrokken. Ik heb besloten om jullie uit de ellende in Egypte weg te halen en je naar een land te brengen dat overvloeit van melk en honing, het gebied van de Kanaänieten, de Hethieten, Amorieten, Perizzieten, Chiwwieten en Jebusieten.””
Culturele context
Het eerste wat in mij opkomt als ik deze vertrouwde tekst herlees, is een geur van hoge ouderdom. Ondanks het feit dat ik hem al vanaf mijn vroege jeugd gelezen heb, wordt deze tekst mij vreemder en vreemder, maar ook interessanter. Het is geschreven in een wereld die cultureel en technisch verre van de onze staat:
- Geen gedetailleerde arbeidsverdeling: iedereen kan en moet bijna alles zelf kunnen.
- Geen communicatiemiddelen buiten die van het eigen lichaam, zelfs het schrift is nog nauwelijks in gebruik, en dus is de orale traditie, de traditie van het verhalenvertellen een belangrijke factor in het culturele leven.
- Een wereld waarin het geld nog maar net en op veel plaatsen nog helemaal niet uitgevonden is.
- Bijna geen middelen om de omgeving vriendelijker voor menselijke behoeftes te maken: irrigatie en domesticatie van dieren en planten is nog maar nauwelijks begonnen. Ook al is het vuur al een kleine honderduizend jaar te beheersen en bestaat het wiel al, toch kunnen ze er nauwelijks iets gerichts mee doen: het duurt nog eeuwen voordat de stoom wordt gekanaliseerd en slavernij van mensen en dieren in principe afgeschaft kan worden.
- Een wereld waarin slavernij dus regel is, en waarin vrouwen en kinderen dezelfde status als slaven hebben.
- Een wereld waarin het ‘oog om oog, tand om tand’ de enige vorm van wet is, als je geluk hebt tenminste, want zelfs deze vorm van wetsgeving is te prefereren boven de wetteloosheid van het recht van de sterkste.
- Een wereld die vol met goden zit, waarin je helemaal niets kunt doen of denken, zonder ergens een god tegen te komen. Handel, huwelijk, geboorte, dood, schrift, eten, drinken, slapen, wakker worden, sex, poepen, plassen, dapperheid, lafheid, dwaasheid: alles heeft religieuze aspecten. Goden zijn gebonden aan plekken of aan gemoedstoestanden, of aan handelingen. Volgens de filosoof Charles Taylor, die in ‘A Secular Age‘ het standaardwerk over het verbijsterende fenomeen secularisatie geschreven heeft, heeft de moderne, geseculariseerde mens een ‘buffered self’. Dat is een identiteit die een duidelijke scheiding kent tussen binnen en buiten, tussen het ego enerzijds en de rest anderzijds. De pre-moderne religieuze mens kent deze duidelijke scheiding niet: delen van zijn bewustzijn zitten buiten hem. Moed bijvoorbeeld, wordt bij Homeros in diens Illias beschreven als de plotselinge invloed van de bloeddorstige Ares. In de pre-moderne wereld zitten overal delen van onze geest: in bronnen, in doorwaadbare plaatsen, in amuletten en toverdrankjes, in voodoobeeldjes, etc etc. Ook astrologie is een overblijfsel uit deze amorfe sfeer, waarin de hemellichamen via hun constellatie of via bepaalde aardse stoffen hun invloed uitoefenen op het ondermaanse en de mensen die er leven.
Historische context
Al deze culturele aspecten en meer, veel meer, moeten bedacht worden om ook maar iets zinnigs over deze tekst te kunnen zeggen. Ook de historische context is verschillend van ons, maar deze ligt dichter bij de onze. Volgens de historicus Thucydides, die nog steeds gelezen wordt op militaire academies, zo heb ik mij laten vertellen, bestaat geschiedenis eigenlijk alleen maar uit politiek en oorlogvoeren, en dan ook nog zonder vrouwen en religie. Nou, als je religie en vrouwen een plek geeft in de vorige alinea, waar het over cultuur gaat, dan kun je inderdaad de historie beperken tot politiek en oorlog.
Toen er op mijn middelbare school aan een geschiedenisdocent gevraagd werd waar de oorlog vandaan komt, gaf hij ongeveer dit antwoord: De hele Europesche geschiedenis vanaf de Middeleeuwen laat een rivaliteit zien tussen Duitsland, Engeland en Frankrijk. Deze rivaliteit bepaalt de historische dynamiek: dan weer heeft het ene land de overhand en dan weer het andere. De kleine landen er omheen, dus ook Nederland, maar ook de kolonieën van de drie landen, worden meegesleept in deze dynamiek. Ik was wel wat teleurgesteld door dit antwoord, omdat ik vond dat er geen verklaring voor de rivaliteit tussen de drie gegeven werd, bijvoorbeeld door een verhandeling over het Kwaad, of over de onuitputtelijke menselijk Begeerte, als de oorzaak van de menselijke behoefte aan oorlogvoeren, maar het feit dat ik dit verhaal over de dynamiek van Europa onthouden heb, blijkt toch dat ik vond dat er iets zat in dit antwoord. Vrouwen kwamen overigens ook in zíjn verhaal niet aan de orde.
De historische context waarin de tekst uit Exodus zijn plek heeft kun je op dezelfde manier beschrijven als de dynamiek tussen Engeland, Frankrijk en Duitsland: In het Middenoosten (het plaatje is uit de Nederlandse Wikipedia) had je rond de gebeurtenissen van Exodus, die ergens in 1200 vChr moet dateren, de twee grootmachten Egypte en Mesopotamië. Soms had Egypte de overhand, zoals onder Pharao Ramses II, die niet weinig bescheiden is over zijn veroveringen in het Oosten. En soms had het Tweestromenland de overhand. Die laatste aanduiding is overigens niet een politieke term. Daar waar Egypte een behoorlijk grote stabiliteit kent en dynastie op dynastie laat volgen, slechts soms even afgewisseld door Hittische overheersers of Nubische Pharao’s, daar zie je in het Tweestromenland of Mesopotamië een opeenvolging van verschillende rijken: Sumerië, Assyrië, Babylonië. Medië en het rijk der Perzen. Maar dan zijn we al aangekomen in de vijfde eeuw voor Christus, waar de Griekse Herodotus, een oudere tijdgenoot van Thucydides, die wél belangstelling had voor vrouwen en andere interessante aspecten van de menselijke cultuur naast oorlog en politiek, door oorzaken en het verloop van de grote oorlog tussen het Perzische Rijk en de Griekse stadstaten beschreef in zijn Historiën.
Tussen Egypte en Mesopotamië in, in een Vruchtbare Halve Maan, ligt het landje waar de Joden, de kinderen Israëls, zich na de gebeurtenissen in Exodus gaan vestigen: het land overvloeidende van melk en honing. En omdat het tussen die twee grootmachten in ligt, voelt het nu weer de invloed van de ene, dan weer van de andere kant.
In Genesis wordt de trektocht van de half-nomadische voorouders van de kinderen Israëls beschreven: uit de stadstaat Ur in Mesopotamië naar het land Kanaän (zoals dat toenmaals heette) en van Kanaän naar Egypte. En tenslotte in het boek Exodus vanuit het ’slavenhuis’ dat Egypte voor hen geworden was op weg naar het Beloofde land, het land ‘overvloeiende van melk en honing’. Daar zullen de nazaten van deze uit Egypte gevluchte slaven een paar eeuwen lang een klein koninkrijkje, of eigenlijk een paar koninkrijkjes, kunnen opbouwen, totdat Mesopotamië onder leiding van de Assyriërs en later de Babyloniërs en Meden en Perzen zo machtig werd, dat ze de hele Vruchtbare Halve Maan, vanaf Libanon via Israël tot aan en soms tot en met Egypte onder zich onderworpen had. In die periode, ca 600 vChr, werd een gedeelte van Israël in ballingschap gevoerd naar het Tweestromenland:
‘By the rivers of Babylon,
Where we sat down
And there we wept
When we remebered Zion.’
zingt Boney M een deel van psalm 137, waarbij ‘Zion’ een andere naam is voor de hoofdstad Jeruzalem.
Tekstuele context
Naast de culturele en historische omgeving van deze tekst is de tekstuele context van belang: het stukje tekst staat in het bijbelboek Exodus, het tweede boek uit de bijbel. Het eerste boek, Genesis, gaat over de schepping der wereld en de belevenissen van de drie ‘aartsvaders’ van het volk der Joden: Abraham, Isaak en Jacob. Abraham wordt trouwens ook door de Christenen beschouwd als hun vader ‘in het geloof’ en door de Moslims als hun voorvader, dus is dit eerste bijbelboek ook voor deze twee groepen van belang. Het boek eindigt met de ‘Jozefnovelle’, over Jozef, een zoon van Jacob, die zijn familie van de hongersnood redt door hen een woonplaats te geven in een vruchtbaar gedeelte van Egypte.
Het tweede boek, Exodus, begint een paar honderd jaar na Jozef met het beschrijven van de onderdrukking en verlossing van ‘de kinderen van Israel’ (= andere naam van de laatste aartsvader, Jacob) uit het land Egypte.
Door deze volgorde in de bijbel, lijkt het alsof het een historische volgorde is: eerst de schepping der wereld met Adam en Eva, dan Abraham, Isaak, Jacob, Jozef, Mozes, uittocht uit Egypte etc. En dit historische aspect zit er zeker wel in, maar het is niet het enige aspect. Om te beginnen moet het plaatje eerst flink wat ingewikkelder gemaakt worden: Zoals gezegd hadden ze in die tijd nauwelijks andere communicatie en herinneringsmechanismen dan hun eigen lichaam: schrift is pas ontstaan rond tweeduizend voor Christus en wordt in het begin alleen gebruikt voor de handel en voor de administratie. En dan ook nog alleen door hoog ingewijde mensen en vaak op communicatiemiddelen die zeer vergankelijk zijn: ongebakken klei en papyrus.
De ‘geschiedenisverhalen’, over de aartsvaders, over de schepping van de wereld en over de uittocht uit Egypte, zijn niet opgeschreven direct nadat ze gebeurd zijn. Er is niemand bijgeweest met een videorecorder en een tekstschrijver. Sommige van die verhalen die nu in de bijbel staan zijn vele generaties lang mondeling overgeleverd: verhalen aan het kampvuur, als de stam de tenten opgeslagen had in een oase, de dorst van de kamelen gelest, het bokje boven het vuur, vers water in leren zakken bij de hand, de sterenhemel boven hen en de gevaren van de volgende dag een beetje uit hun gedachten.
In de steden van Palestina, als er hofschrijvers zijn, worden deze verhalen opgeschreven. De eerste versies verschijnen aan het Jeruzalemse hof van de koningen David en Salomo (ca 800 vChr.). Hierin vindt je de heimwee naar het onbedorven woestijnleven terug.
Na de splitsing van het rijk in een noordelijk en zuidelijk deel krijg je twee verschillende tradities van schrijvers.
Na de verovering van het noordelijk rijkje door de Assyriërs, gaan een aantal van de schrijvers naar het zuidrijk en nemen de tradities van het noordelijke deel met zich mee.
Na de verovering van het zuidelijke deel en tijdens de ballingschap van een deel van het volk in Babylon komen er andere lagen in de verhalen naar boven: de scheppingsverhalen krijgen nieuwe dimensies. Om een voorbeeld hiervan te geven het volgende:
Ik ben onlangs weer eens in Berlijn geweest. In de Museumsinsel, in het voormalige Oost-Berlijn, ligt het prachtige Pergamonmuseum. Dit is Duitslands poging geweest om te concurreren met gelijksoortige musea èn imperialistische neigingen in Frankrijk en Engeland. In die twee landen werd het Louvre en het Britisch Museum het voorbeeld van imperiale macht: uit al hun koloniën konden deze twee landen de oer-geschiedenis laten zien. Ook Duitsland probeerde dit met het Pergamonmuseum. Daar werd een hele tempel uit Pergamon (nu in Turkije), een heel marktplein, kolossale zuilen, griekse beelden en ander spul naar toegesleept. Maar ook uit het Middenoosten hebben ze oudheden gehaald: gevleugelde stieren en wasbekkens uit Nineve, maar ook prachtige reliefs van de Isthartempel met de ceremoniële overwinningsweg uit Babylon. Het Babylon waar een deel van Israël in 586 vChr. naar toe verbannen werd.
Daar, in Babylon, bij de rivier de Eufraat waar ze weenden over hun verloren stad Zion, ontmoeten de Israëlieten een andere cultuur, en ook andere scheppingsverhalen, dan die ze zelf kenden. Tot dan toe vertelden ze elkaar in een nomadische setting over God die de wereld geschapen had met water in de woestijn die vervolgens vruchtbaar werd:
Genesis 2:4-7:
“Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde. Zo ontstonden ze, zo werden ze geschapen.
In de tijd dat God, de HEER, aarde en hemel maakte, groeide er op de aarde nog geen enkele struik en was er geen enkele plant opgeschoten, want God, de HEER, had het nog niet laten regenen op de aarde, en er waren geen mensen om het land te bewerken; wel was er water dat uit de aarde opwelde en de aardbodem overal bevloeide.”
Of ze vertelden elkaar scheppingsverhalen die leken op de oude Kanaänitische mythologische oerstrijd waarin de goden (Baäl, Astarte en dergelijke) de monsters van de chaos (de Leviathan, de woedende oerzee) doodden, en uit hun lichaam de wereld schiepen. Maar de manier waarop ze dat vertelden is tegelijk kritiek op deze mythologie: de monsters worden tot speelgoed gemaakt:
Psalm 104: 25, 26:
“Zie hoe wijd de zee zich uitstrekt.
Daar wemelt het, zonder tal,
van dieren, klein en groot.
Daar bewegen de schepen zich voort,
daar gaat Leviathan, door u (= God) gemaakt om ermee te spelen.”
Maar in Babylon kregen ze niet alleen maar te horen, maar ook te zien op beelden en muren en in grote processies, bijvoorbeeld tijdens het nieuwjaarsfeest, hoe de schepping der wereld ook gedacht kon worden. Met mythologische monsters, gevleugelde stieren, griffioenen, mensen met vleugels, draken. Met 7 goden aan de hemel: zon en maan en vijf planeten, die het lot van de mens vastlegden.
Daar, in Babylon, schreven de priesters een ander scheppingsverhaal, tegen het geweld van hun heren in. In dit scheppingsverhaal deden ze hetzelfde als hun voorouders deden met de Kanaänietische verhalen: de goden en monsters van de oertijd worden speeltjes in de hand van de joodse God.
Genesis 1:14-16:
“God zei: ‘Er moeten lichten aan het hemelgewelf komen om de dag te scheiden van de nacht. Ze moeten de seizoenen aangeven en de dagen en de jaren, en ze moeten dienen als lampen aan het hemelgewelf, om licht te geven op de aarde.’ En zo gebeurde het. God maakte de twee grote lichten, het grootste om over de dag te heersen, het kleinere om over de nacht te heersen, en ook de sterren.”
Hierin zijn de Babylonische goden, de latere Griekse titanen of Germaanse goden, Zon, Maan en planeten, geworden tot instrumenten, tot lichten die nuttig zijn, de mensen dienend en niet overheersend.
Ook op meer plekken van het oude testament vind je sporen van de babylonische ballingschap terug: zo bijvoorbeeld in een stukje van het paradijsverhaal. Na de zondeval wordt de slang, die de mens heeft verleid, vervloekt (Genesis 3:14):
“Vervloekt ben jij dat je dit hebt gedaan,
het vee zal je voortaan mijden,
wilde dieren wenden zich af;
op je buik zul je kruipen
en stof zul je eten,
je hele leven lang.”
Dit heb ik altijd vreemd gevonden: hoe kan een slang, die immers altijd al op zijn buik kruipt, nu vervloekt worden tot op zijn buik te kruipen. Maar de reliefs van de Istharpoort uit Babylon in het Pergamonmuseum in Berlijn laten duidelijk zien waar dit obscure tekstje op slaat: de slang die bedoeld was, was een mythologisch dier, met slangenlijf en een soort van vogelpoten achter en leeuwenpoten voor. En dit wezen, een godheid van de overheersers, is de verleider en personificatie van de breuk in onze werkelijkheid. Het is gepast dat die vervolgens van zijn mythologische poten ontdaan wordt en weer gewoon deel van de natuur wordt.
En nadat de mens verdreven is uit de hof staat er (Genesis 3: 24):
“En nadat hij hem had weggejaagd, plaatste hij ten oosten van de tuin van Eden de cherubs en het heen en weer flitsende, vlammende zwaard. Zij moesten de weg naar de levensboom bewaken.”
De cherubs is nog zo’n mythologisch wezen van de Babyloniërs.
Negentiende eeuws tekstkritiek
Bij nauwkeuriger lezing van de verschillende teksten viel het onderzoekers in de negentiende eeuw, van Julius Wellhausen tot Martin Noth, op dat er verschillende schrijvers of schrijvergroepen te onderscheiden waren. Het verhaal van het brandende braambos uit Exodus 2 is een belangrijk element in deze onder verdeling. De schrijvers gebruiken verschillende benamingen van God, maar hebben daarnaast ook andere eigenaardigheden.
Jahwist
Een eerste en oudste schrijver of groep van schrijvers werd door hen Jahwist genoemd. Hij of zij, want er zijn onderzoekers die op grond van tekstuele aspecten denken dat het een vrouw is geweest, gebruikt consequent de naam JHWH als Godsnaam. In de vertaling hier gebruikt wordt voor deze naam het woord ‘HEERE’ gebruikt.
Deze Jahwist hield dus geen rekening met het verhaal uit Exodus 2. Mozes hoorde daar voor het eerst dat God zichzelf JHWH noemt. Dit dient waarschijnlijk uitgesproken te worden als Jahwe, vandaar de naam Jahwist. Omdat deze naam voor Mozes nieuw was, en waarschijnlijk ook voor de overige Israelieten (Mozes vraagt immers aan JHWH: als ik zeg ‘de God van jullie vaderen heeft jullie geroepen, en ze vragen ‘Wat is de naam van die God?’ Wat moet ik dan zeggen?), kent de Jahwist dit verhaal niet, of vindt het niet interessant. De Jahwist wordt gesitueerd in Jeruzalem, ten tijde van David en Salomo, dus ca. 900 vChr. Hij heeft de helft van Genesis en van Exodus en van Numeri geschreven.
De Jahwist is vooral geïnteresseerd in de condition humaine: waar komt het zwoegen vandaan, de pijn, de barensweeën, waar de verschillende talen, waar de botsing tussen herders en jagers? God is bij de Jahwist een menselijke figuur, in staat tot verdriet en berouw om wat hij gedaan heeft. God erkent fouten en wil soms opnieuw beginnen.
Elohist
Daarnaast was er een schrijver (of schrijversgroep) die vernoemd wordt naar ‘Elohim’ of ‘El’, het Hebreeuwse woord voor God, en in de vertalingen op deze blog ook zo gebruikt: ‘God’. Deze Elohist wordt gesitueerd in het Noordelijke koninkrijk, na of tegen het einde van de dagen van David en Salomo, dus ongeveer tegen 850. Hij gebruikt na het Exodusverhaal de naam JHWH en ervoor de naam Elohim. Tegen 750 vChr. combineerde een anonieme redacteur de verhalen van de Jahwist en de Elohist tot één, vaak door verschillende verhaallijnen langs elkaar te leggen of tegen elkaar in te weven. Lees bijvoorbeeld de twee verhalen over de Zondvloed in Genesis 6, 7, 8 en 9.
Ook de Elohist ziet God als behoorlijk lijkend op een mens, in staat tot berouw en verdriet.
Deuteronomist
De derde schrijver wordt de Deuteronomist genoemd. Hij leefde ten tijde van de Babylonische Ballingschap, maar niet in Babylon, daar hij over die cultuur niets schrijft. Hij hoort bij de groep van achtergeblevenen rond de profeet Jeremia, in ca 550 vChr. Hij is de schrijver van de boeken Deuternonomium, Jozua, Richteren, 1 en 2 Samuel en 1 en 2 Koningen, en een deel van het materiaal in Exodus en Numeri. In zijn verhaal ligt niet de nadruk op het gebruik van de godsnaam, maar op een bepaalde geschiedenisopvatting: God is rechtstreeks koning van Israel en regeert door zijn wetten. Het Deuternonomistische werk begint dan ook bij de 10 Geboden. Als Israël niet luistert en de wetten die gegeven zijn tijdens de uittocht uit Egypte niet navolgt, dan gebeuren er rampen. Die rampen zijn overigens niet zozeer een straf, maar wel een consequentie van het niet leven volgens de goede regels. Als de Israëlieten een koning willen, dan wordt dat gedeeltelijk gezien als een afwijzing van het koningschap van God zelf en dus kritiek op God. De verwoesting van het land door de Assyriëers en Babyloniërs wordt gezien als een consequentie op deze misstap.
De Deuteronomist is een goede schrijver, net als de Jahwist. Het David-verhaal is één grote tragedie over goede bedoelingen, strevingen, verdriet en hoop. Prachtig.
Priestercodex
En de vierde groep van schrijvers wordt de Priestercodex genoemd. Deze schrijversgroep werkt rond 450 vChr en bestaat uit priesters van de familie of traditie van Aäron, de broer van Mozes. Er zijn ook andere priesters, die bijvoorbeeld door de Deuteronomist worden voorgetrokken ten gunste van deze groep. De tekst van de Priestercodex, vooral te vinden in Numeri, bestaat veelal uit lange saaie opsommingen, genealogieen en een koude God die veelal werkt door middel van priesters uit het geslacht Aäron.
Eindredactie
Ergens na de Babylonische Ballingschap worden de verschillende verhalen van de vier groepen schrijvers samengevoegd tot één verhaal. Volgens sommigen gebeurde dit door de profeet Ezra. Deze samenvoeging kennen wij als de Vijf boeken van Mozes of de Hebreeuwse Torah, aangevuld met het Deuteronomistische geschiedswerk: Jozua, Richteren, Samuël en Koningen.
Dit complex is dus geen geschiedschrijving in de zin van Thucydides, of alleen maar cultuurbeschrijving in de zin van Herodotus. Het is polemiek, bestrijding van andere ideeën, dialoog, argumentatie, spannende verhalen en vooral onderzoek naar wie of wat God is.
JHWH
In het Exodus verhaal over de brandende braambos, wordt gesproken over over de naam JHWH. De Jahwist kent dit verhaal niet, en veronderstelt dat deze naam altijd al bekend is geweest. Volgens Hendrikse is dit pas rond de Babylonische ballingschap opgeschreven. Maar de geleerden die ik geraadpleegd heb dichten deze tekst toe aan de Elohist en dus rond 850 vChr te dateren en niet tegen 600 vChr of nog later.
Het verhaal dat beschreven wordt speelt zich af ten tijde van Mozes, en zijn leven wordt gedateerd rond 1200 vChr.
In het verhaal komt dus de naam JHWH naar voren. Door de Jahwist voortdurend gebruikt, maar volgens de Elohist en ook volgens de Priestercodex pas bekend doordat JHWH zich bekend maakt aan Mozes en hem vertelt dat de aartsvaders, Abraham, Isaak en Jakob, hem ook al aanbaden, maar toen onder de naam El.
JHWH is een naam die door de schrijvers en voorlezers van het oude testament niet uitgesproken mocht worden. De naam is heilig. Om er zeker van te zijn dat de naam ook niet per ongeluk uitgesproken zou worden, hebben ze er voortdurende een waarschuwingsvlag bij geschreven. Om deze waarschuwingsvlag te begrijpen, moet je iets meer afweten van het Hebreeuwse schrift.
Het Hebreeuwse schrift is een schrift dat bestaat uit medeklinkers (dat zijn de vette tekens op het manuscript, een afbeelding van Wikipedia van de Aleppo codex, een deel van de Hebreeuwse bijbel uit de 10e eeuw nChr). De klinkers zijn er vele eeuwen later onder en boven gezet (dat zijn de puntjes en streepjes die rondom de medeklinkers dansen). Een woord als ‘meneer’ zou als ‘mnr’ geschreven worden en zou, zonder een gedegen opleiding ook uitgesproken kunnen worden als ‘manier’. In vroege vertalingen, zoals de vertaling naar het Grieks uit de derde eeuw voor Christus, kom je dan bijvoorbeeld in een zin het woord ‘manier’ tegen, terwijl de Hebreeuwse tekst met klinkers uit de 3e eeuw na Christus op die plek het woord ‘meneer’ schrijft. Uit de context van de zin is dn meestal wel af te leiden welke van de twee lezingen de correcte zou moeten zijn, maar het laat ook zien dat de tekst aan het evolueren is.
Wel nu, vanaf het moment dat de medeklinkers omringt werden door de klinkers, vanaf ca de 3e eeuw na Christus, werd bij de heilige Godsnaam ‘JHWH’ (HEER of HEERE in de Nederlandse vertaling) de klinkers gezet van een ander woord: ‘adonaj’, wat ‘meneer’ of ‘heer’ betekent. Deze klinkers zijn dus ‘aoa’. Geplaatst bij ‘JHWH’ krijg je: ‘JeHoWaH’, of ‘Jehovah’. Voor een Jood vanaf de derde eeuw is dit onzin: hij/zij weet dat je bij ‘JeHoWaH’ moet begrijpen ‘JHWH’ en hardop lezen ‘Adonaj’. Voor een twintigste eeuwse secte als de Jehovah-getuigen is het overigens volkomen normaal om deze contaminatie te gebruiken als de godsnaam.
Goed, de vreemde klinkers van ‘meneer’ bij de onuitspreekbare godsnaam ‘JHWH’ vormen de waarschuwingsvlag: let op, doe je schoenen van je voeten want dit is heilige grond. Maar wat betekent die naam ‘JHWH’ eigenlijk? Naar alle waarschijnlijkheid moet de naam als volgt uitgesproken worden: Jahweh, dus met twee klinkers a en e. En hierin zit het werkwoord ‘zijn’ verstopt. ‘Jahweh’ zou zoiets betekenen als ‘ik ben’. Maar uit de tekst in Exodus blijkt een veel dynamischer verloop: JHWH is de god van Abraham en Isaak en Jacob, een god van de geschiedenis. ‘IK ZAL ER ZIJN’, noemt hij zichzelf, en niet ‘ik ben er’. Het is een god die zich het zuchten van de mensen aantrekt en zich kwaad maakt over onrecht. Het is een god die meelijdt met de mens. En dat bedoelt Hendrikse als hij het heeft over een Gebeurtenis in plaats van een Natuurverschijnsel.
Maar er is nog meer te zeggen, buiten stelling van Hendrikse om: het feit dat deze Gebeurtenis de goden van de oervloed, de chaos, en van het noodlot, de maan, zon en de planeten, de astrologie, beschouwt als speeltjes of als nuttige instrumenten die de mensheid moeten dienen in plaats van hem te knechten in angst en onwetendheid, is een onderdeel van de historische ontwikkeling: De secularisatie, waarover ik hierboven sprak toen ik het boek van Charles Taylor aanhaalde, is niet gericht tegen de Christelijke godsdienst: nee de Christelijke godsdienst, en ook de Joodse en in principe ook de derde Abrahamitische religie: de Islam, brengt de secularisatie zelf voort: het hele mechanische wereldbeeld wordt mogelijk door een god die zegt: dit alles is ten dienste van de mensheid voortgebracht. Dit is gemaakt om hem te bevrijden van angst en ontwetendheid, ongeveer zoals een moeder een nachtlampje aanlaat om het kind rustig in te laten slapen. Laten we eens zien wat de mens van dit prachtige geschenk maakt. Hoe zal hij dit instrument, deze fantastische wereld gaan gebruiken?
En dit is één van de belangrijkste bronnen van de Verlichting en vervolgens van de zegeningen en vervloekingen van het mechanistische wereldbeeld. Maar hierover later meer.















Leave a Comment