Religieuze kunst
Twee weken geleden ben ik naar het Catherijneconvent geweest, hèt museum voor religieuze kunst in Utrecht, of zoals de website het ook zegt: het museum waar u kennis maakt met heden en verleden van het christendom in Nederland.
Het rijksmuseum het Catherijneconvent is in 1979 verbouwd door de brabantse architect Hubert Jan Henket, die ook de grote theaterkelder van ArtEZ in Arnhem heeft gebouwd en die ook de nieuwbouw van de CABK, ArtEZ academie voor beeldende kunsten te Zwolle heeft gerealiseerd.
Het museum heeft een collectie van Roomskatholieke en protestantse kunst- en gebruiksvoorwerpen. Het was een oud karmelietenklooster, gewijd aan de heilige Catharina van Alexandrië. Tot aan de 19e eeuw was het een ziekenhuis van de Johannieterorde.
Tot aan 6 april was daar naast de vaste collectie een dubbeltentoonstelling: ‘In het begin’, waarin kunstenaars de eerste woorden van Genesis verbeelden en ‘Cold Turkey’ een expositie van kunstwerken die gemaakt zijn voor de periode van Carnaval tot Pasen.
Bij religieuze kunst komt al gauw het beeld op van een iconenschilder, of van de maaksels die minder over kunst en meer over de gemeenschap zeggen waar ze in gemaakt zijn.
In de standaardcollectie van het het Catherijneconvent hebben ze gelukkig ook veel van dit soort dingen. Ik wordt daar altijd vrolijk van: het heeft geen artistieke pretenties en het herinnert mij altijd aan de ‘christelijke’ broodplankjes vroeger thuis met ‘Geef ons heden ons dagelijks brood’ er op, of aan de plankjes aan de muur met een psalmtekst of de biddende handen naar een gravure van Albrecht Dürer. Dat zijn geen dingen om je voor te schamen, dat is onze cultuur geweest. Je ziet het bijvoorbeeld in een heel scherp licht als je bij je Turkse buren uitgenodigd wordt voor de koffie: kamerbrede tapijten, tegen alle muren bankstellen, een paar gekalligrafeerde koranteksten en altijd een mierzoete afbeelding van de Kaäba of de grote moskee in Mekka aan de muur.
Hiermee maak je je eigen identiteit duidelijk, maak je duidelijk dat je deel bent van een grotere groep met eigen normen en ideeën. Een deel van het belang van de religie voor allochtoonse moslims wordt hiermee verklaard: het is identiteitsvormend. Vijfennegentig procent van alle allochtonen uit Noord Afrika en het nabije Oosten (inclusief Turkije) benoemd zichzelf moslim. Dat is een veel hoger percentage dan waarop de autochtone christenen kunnen bogen. Oorzaken van beide gegevens (het hoge aantal moslims en lage aantal christenen vergeleken met hun potentiele achterban) zijn natuurlijk complex, maar identiteits-factoren spelen zeker een rol.
Ik was niet zo onder de indruk van de tentoonstelling ‘Cold Turkey’. Het thema werd in bijna alle werken uitgelegd als een universeel menselijk thema, zonder het religieuze aspect te benadrukken. Het universele menselijke thema was de in de titel vermelde overgang van laveloosheid, orgieën en excessen, naar soberheid en orde.
Achteraf gezien bleef het werk van de kunstenares Erzsébet Baerveldt (die zich in een ander werk identificeerde met of spiegelde aan een Hongaarse prinses) het meest in mijn herinnering steken als opvallend werk.
Maar dat opvallende zat niet in haar opstelling: een bronzen beeld van de lijdende mens in het midden van twee halve cirkels met doeken, maar alleen in het bronzen beeld.
Hierin zaten herinneringen aan middeleeuwse crucifixen (kijk maar naar het buikje van de Christus), maar ook zeer hedendaagse elementen: zoals de piemel, onbedekt. En let ook eens op de plaats van de spijkerwond: op middeleeuwse afbeeldingen van de Gekruisigde worden de spijkers geslagen in de handen. Erzsébet Baerveldt laat heel duidelijk een andere plek zien: in de pols. Dat klopt niet met de middeleeuwse iconografie, maar wel met hedendaagse anatomische inzichten: als je iemand kruisigt met spijkers door de handpalmen, dan scheurt de hand snel uit en valt het lichaam van het kruis. Een professional (en de Romeinen waren professionals) slaat de spijker door de pols, dan blijft het lichaam lang kreperen.
Afgezien van dit lugubere detail, zit er in het beeld een interessante ambivalentie: tussen naderbij komen en afstoting. Op een tekstje die over het haar van de Christus aangebracht is, staat geschreven: noli me tangere, raak me niet aan, wat de Opgestane zegt tegen Maria in de Hof, op Paasmorgen. En dezelfde afwijzing zit ook in de handen: gedeeltelijk voor het gelaat, met de wonden als schild. En tegelijk is het gemakkelijk om mededogen te hebben met deze mens.
Mooi gedaan.
In de andere bijzondere tentoonstelling, die naar aanleiding van Genesis 1, In het begin, viel vooral het videowerk van Tamar Roelse op.
Een beeldscherm met een film van een vrouwengezicht, met dichte ogen, waar water tegen aan gegooid wordt.
Het water gooien is geen aangename ervaring, het ziet er koud uit. Er zijn associaties met het wachten in een bushokje in de herfst of in een onaangenaam deel van de winter.
Tegen het einde van de film zijn de ogen helemaal open. En ook nu geen vrolijkheid, maar ook geen berusting. De weerstand, de koude regen, maakt strijdbaar, ook al lijkt er niets aan te doen.
Deze beelden onder de titel van ‘in het begin’ roepen de herinnering op aan geboren worden. Ook dat is geen vrolijk proces. Niet voor de moeder (en ook niet voor de hulpeloze vader), maar zeker niet voor de baby. Als je wilt weten wat Heidegger bedoelt met ‘geworpen zijn’, dat wij mensen geworpen zijn in ons bestaan, dan moet je kijken bij de pasgeboren zuigeling: koud, smerig, gemangeld en losgemaakt uit de heerlijke moederschoot.
Schepping is geen plezierige zaak: het is geworpen worden in de wereld, volwassen worden, eigen verantwoordelijkheid nemen voor de omstandigheden die je niet voor het kiezen hebt.
Al deze dingen zitten in deze uitstekende performance van kunstenares Tamar Roelse, oud student van de AKI, ArtEZ academie voor beeldende kunsten te Enschede, geboren 1972, die blijkens een tekst op de website van Beeldende Kunst Gelderland bezig is met haar eigen eindigheid en de daaruit voortkomende vragen over haar positie in het leven.















Leave a Comment