De kunst van het vallen
In het Overgave programma van woensdag 19 maart 2008 stond Patricia de Martelaere met haar lezing over ‘De kunst van het vallen’.
Prof. Dr. Patricia de Martelaere (* 1957 in Zottegem, België) studeerde wijsbegeerte aan de Universiteit Leuven, waar zij in 1984 promoveerde op een proefschrift over het scepticisme van David Hume. Zij is hoogleraar aan de Katholieke Universiteit Brussel en de Katholieke Universiteit Leuven. Zij publiceert onder meer over Schopenhauer, Nietzsche, Freud, Wittgenstein en Derrida. Naast deze wetenschappelijke carrière is zij ook schrijfster, bekroond met de Belgische Staatsprijs voor literatuur en twee keer genomineerd voor de AKO literatuurprijs. Recent heeft ze een nieuw boek geschreven: Taoïsme: De weg om niet te volgen.
In het programmaboekje van Overgave staat de volgende inleiding op ‘de kunst van het vallen’:
“We vallen niet graag. Toen we klein waren viel het nog mee: we vielen voortdurend en krabbelden overeind alsof er niets was gebeurd. Een enkele keer vielen we van de trap en zetten dan een keel op van jewelste, maar bleven vaak wonderlijk ongedeerd.
Naarmate we ouder worden, vallen we minder vaak en minder graag, maar ook minder makkelijk, en we doen ons vaker ook ernstig pijn. Niet alleen onze botten zijn strammer en stijver, en daardoor ook breekbaarder, ook onze geest is zijn soepelheid kwijt: we kunnen en willen ons niet meer laten gaan.
Nochtans zou de ware levenskunst weleens niet die van het keurig rechtoplopen, maar die van het vallen kunnen zijn. In tegenstelling tot het doelmatig rechtoplopen, dat permanente controleerbaarheid veronderstelt, is het vallen iets wat ons per definitie overkomt, een verstoring in het succesvol bewandelen van onze levensweg. Maar verstoringen zijn er natuurlijk om de haverklap, en iedereen komt vroeg of laat ten val. Kunnen we leren vallen? Gevechtssporten als judo en karate tonen ons dat het kan. Leren vallen is spelen met de grenzen van het leerbare. Essentieel in het leren vallen is het laten vallen, het opgeven van weerstand, het meegaan met wat je overkomt, de overgave. Maar deze overgave leidt niet tot de nederlaag. Integendeel: ze zou de strijder onkwetsbaar en onoverwinnelijk moeten maken.”
De kunst van het vallen als levenskunst. Mevrouw de Martelaere vertelde in het vraaggesprek na afloop van haar lezing dat zij een jaar of 10 / 15 geleden een hele depressieve periode heeft doorgemaakt. Ze gaf er geen details van, maar vertelde wel dat ze meer dood dan levend bij een Taoïstische acupuncturist werd binnengedragen. De behandeling wiste het verdriet weg, radicaal.
Vanaf dat moment is ze zich gaan interesseren in het Taoïsme en in de er bij horende traditionele Chinese geneeskunst.
Tot aan haar lezing, heb ik altijd gedacht dat Tao en de traditionele Chinese geneeskunst twee verschillende zaken waren. Zaken die elkaar natuurlijk wel beïnvloeden, maar niet dermate dat ze niet uit elkaar gehouden konden worden. Enerzijds heb je de religie, Tao, en anderzijds heb je de Chinese opvattingen over gezondheid. En van dat laatste heb ik sinds de verhalen uit de Culturele Revolutie, over operaties in ziekenhuizen, zonder de westerse verdovingstechnieken, maar wel met acupunctuur, als bewijs van het succes van Mao’s Chinese ideeën, geen hoge pet op. Ook de broodjes-aap verhalen van mensen die succesvol van het roken af kwamen middels acupunctuur, stimuleren mijn nieuwgierigheid niet. En wil je je, onder het mom van ‘baat het niet schaadt het niet’ wel eens overgeven aan een acupunctuur behandeling, dan wordt je op www.kwakzalverij.nl om de oren geslagen met allemaal artikelen over deze ‘bizarre geneeswijze berustend op een atavistische theorie die op geen enkele wijze te rijmen valt met de huidige stand der biomedische wetenschap’ en zelfs over mogelijk nadelige gevolgen van het gebruik ervan. De stichting Skepsis is iets genuanceerder en zegt: ‘Onderzoek naar de werkzaamheid van acupunctuur heeft vrijwel niets opgeleverd. Alleen pijn en misselijkheid schijnen in bepaalde gevallen iets af te nemen.‘
Met deze kennis gewapend luisterde ik dus naar een verslag van een weldenkend mens, een hoogleraar in de filosofie en een gelauwerd schrijver, die publiekelijk zegt dat het haar geholpen heeft.
Dao, zo vertelde ze, heeft te maken met overgave, met vallen. Je moet het opvatten als een techniek om succesvol te zijn in het leven. Het is een levenskunst. Deze overgave is namelijk niet dezelfde die we vroeger speelden met: ‘geef je over of ik schiet…’, het is geen nederlaag maar een overwinning. Dao is de weg tot deze overwinning, de weg tot gezondheid, geluk en goedheid in dit leven. In dit leven, want het Taoïsme is, net als het Boeddhisme, een religie zonder God.
Mevrouw de Martelaere heeft dit Taoïsme bestudeerd middels de klassieke geschriften: Dao de Jing en de Zuangze, beiden uit de Periode van de Strijdende Staten. Ook De kunst van het oorlogvoeren, hoewel geen klassiek Taoïstisch werk, bevat dezelfde ideeën.
Bij dieren en ook bij kinderen zijn emoties gezond en doelmatig. Bij volwassen mensen kunnen bepaalde emoties maar door en door lopen: het maalt dan door het hoofd, obsessief. Deze emotie is dan niet meer doelmatig en gezond. In deze situatie kun je jouw omgeving ook niet meer de baas, want je hebt jezelf niet overwonnen. Je kunt jezelf overwinnen als je je eigen emoties tijdig kunt loslaten, zoals kinderen of dieren dat kunnen. De manier waarop de Dao, of eigenlijk de filosofische Dao, waartoe de Martelaere zich beperkt, dit bewerkt is een techniek, een meditatie: zitten en vergeten. Geen concentratie op ingewikkelde concepten, maar wees zo stil mogelijk, fysiek en mentaal. In dit stil-zijn wordt duidelijk dat het ik zijn eigen hinderpaal is. Deze meditatie is dus een techniek, geen mystiek zoals in de westerse kloosters, een vaardigheid.
In de literatuur van de Dao worden diverse voorbeelden genoemd van die techniek: de zwemmer, de krekelvanger, de meubelmaker, allen beoefenen gedurende een bepaalde periode het niets-doen (Wu-wei) om het doel te bereiken: de extreem gevaarlijke waterval afzwemmen, de krekel te vangen en het meubel te maken. Deze houding lijkt op die van een aantal grote westerse kunstenaars, als Michelangelo en Brancussi, die niet no zeer een plan uitvoeren, maar die het beeld, dat al in het steen bestaat bevrijden van overtollig materiaal. Dit is een kunst van het vinden, niet van het zoeken. Hoe vindt je iets zonder te zoeken? Door je niet te richten op het doel, of door je zo sterk te richten op het doel dat je jezelf vergeet. Dit is geen garantie, maar kán leiden tot grote prestaties, of tot het gemakkelijker doen van de daaglijkse dingen. Het ondermijnt de dwangmatige neigingen van ons ego.















Leave a Comment