Overgave – donderdag
Op de donderdag 20 maart zijn de resultaten van de Rapiaria, de workshops, gepresenteerd, zowel in het Sophia gebouw als in Galerie Het Langhuis. Ik kon er niet bij zijn en vraag hierbij of studenten die ergens op het internet iets van hun presentaties hebben uitgestald deze URLs willen opsturen naar deze blog, dan zal ik ze hierin opnemen.
Vanaf 6 uur ’s avonds begon het avondprogramma in het conservatorium van ArtEZ Zwolle met een gezamenlijke maaltijd.

Om 19.00 uur was de lezing van Paul Moyaert (lees hier het verslag) in de Reulandzaal van het conservatorium in Zwolle: de aanbidding van de Gekruisigde. Hier de filosoof en pschiater in gesprek met twee van de filosofen van ArtEZ Zwolle: Renée van Riessen en Patty Pontier.
Vanaf 20.00 uur was er een concert van studenten van het Conservatorium ArtEZ in de Broerenkerk, in het koor (dus tegenover het orgel).

Vanaf 21.00 uur begonnen de Cantarellen van de afdeling Illustratie van de CABK in de Broerenkerk aan de kant van het orgel :
tableaux vivants,
wisselwerkingen tussen audiovisuele media en maquetteachtige opstellingen,
antiek schimmenspel,
ballet,
gekostumeerd bal.

Al deze benamingen zijn waar en meer dan dat. Het was een feest om zelfs maar de repetities mee te maken met een strenge Harriët van Reek, twee voor hun doen behoorlijk gedienstige docenten: Joshua Janssen en Hans Dingjan, onderdanige technici als Barth Visser, Melchior van Schuppen, Douwe Dijkstra en Roderik van Loef, en heel veel nerveuze studenten, die ondanks het feit dat ze al vanaf januari met de voorbereidingen bezig waren nog steeds het gevoel hadden dat ze nooit klaar genoeg konden zijn.

De jonge meisjesjurken en het licht van hun ontluikende gevoelens.

De dans van de ontloken gevoelens

De drie gratiën
in twee talen,
eenmaal verdubbeld
de plassende man,
de gedienstige maagden,
de bloemvrouw
en de kijker
Vanaf 22.00 uur was er een Avondmaal in de kloostergangen van het conservatorium: krentenbrood, boter, eieren (en verf), tomaten, mozarella en basilicum.
Vanaf 23.00 uur begon het concert van Tineke Steenbrink, Klaveciniste, in het koorgedeelte van de Broerenkerk.
En vanaf ca. 01.00 uur ’s nachts beonnen de Donkere Metten en Lauden van Goede Vrijdag, die om ca 03.00 uur ’s nachts afgelopen waren.
De Donkere Metten en Lauden werden gezongen door de drie leden van het Vocaal Ensemble Gregoriana. In het vooroverleg met Nelleke Hendriks, die haar zorg uitsprak over de mogelijk kleine opkomst tijdens deze gregoriaanse marathon mis, vertelden de koorleden dat ze ondanks alles het project door zouden zetten, ook al bleef er niemand over. De aanwezigheid viel gelukkig wel mee, maar een aantal mensen die vast van plan waren het bij te wonen, trokken het toch niet meer.
Uit het programmaboekje over De Donkere Metten en Lauden:
“Wat is er zo bijzonder aan dit, zoals de naam al zegt, min of meer in het duister verrichte koorgebed (…)? Het duurt lang, dat staat vast, en het omvat zoals gebruikelijk bij de Metten (= het nachtelijk koorgebed) drie nocturen (= nachtwaken), die elk op zichzelf weer bestaan uit telkens drie psalmen met antifonen (= refreinen) en drie lezingen met responsories (= antwoord/reflectie op de lezing).
Deze Metten worden, zoals merkwaardigerwijs vroeger wel meer gebeurde, onmiddellijk gevolgd door de geanticipeerde Lauden (= vervroegd morgengebed), eveneens van normale samenstelling: 4 psalmen, 1 lied uit het Oude en het vaste lied uit het Nieuwe Testament: de Lofzang van Zacharias. Alle met eigen antifonen en aan het einde een kort slotgebed.
Tot zover dus eigenlijk geen nieuws. Het bijzondere zit hem echter in het ritueel, de entourage en de invulling van bovengenoemde vaste bestanddelen, die nogal afwijkend zijn van de wijze waarop Metten en Lauden op de overige dagen van het jaar gevierd worden. Deze Donkere Metten en Lauden werden alleen gezonden op de vóóravond van de drie laatste dagen van de Goede week: Witte Donderdag, Goede Vrijdag en Stille Zaterdag. De volgende morgen gaat men dan weer verder met de gebedsuren voor overdag.
De kenmerkende bijzonderheden op deze dagen laten zich als volgt beschrijven: Vóór de aanvang wordt in het koor de zgn kaarsegge of triangel geplaatst, een driehoek dus. Eens als kandelaar wellicht de enige of tenminste grootste lichtdrager in de kerk, nu met welgeteld 14 ongebleekte waskaarsen (symbool van rouw) en op de top één gebleekte witte kaarst. Na elke psalm wordt er 1 kaars gedoofd, tot uiteindelijk alleen de bovenste witte kaars, symbool voor Christus, het Licht der wereld, blijft branden. Het vrome volksgeloof der Middeleeuwen wilde dat het uit rouw om Jesus’ lijden en sterven steeds donkerder werd en meende in het doven der kaarsen te zien hoe zijn vrienden, de apostelen, Hem één voor één in de steek lieten.”
Geert Maessen, van het Vocaal Ensemble Gregoriana, vergelijkt de uitvoering van de metten als liturgie met de uitvoering als seculier kunstwerk, zoals ook de Mattheuspassion op beide manieren ervaren kan worden:
“Beide (de Donkere Metten en de Mattheuspassion, A) staan natuurlijk onlosmakelijk in de westers christelijk religieuze traditie, waarin ze eigenlijk hetzelfde verhaal vertellen. De Mattheus is alleen veel vertellender, explicieter, onderhoudender, zelfs operatesker, dan de donkere metten. De donkere metten zijn veel abstracter, implicieter, literairder, mystieker. Die metten vragen daarom een ander soort betrokkenheid; een sensitiviteit voor heel kleine nuances met omvattende connotaties; een ander soort tijdsbeleving.
Zowel de grote meerstemmige passies als de donkere metten horen oorspronkelijk in de liturgie thuis. Maar beide zijn ze m.i. ook als “kunstwerken” buiten de liturgie genietbaar. Met de passies (in ieder geval met Bach’s Mattheus) vindt dat ook daadwerkelijk plaats. Maar met die metten lijkt dat maar niet te lukken. Is dat vanwege het verschil tussen het grote gebaar en de kleine nuance, tussen Opera en kamermuziek? “
Ik heb over deze laatste vraag geen mening, maar weet wel dat ik bij de uitvoering van deze Donkere Metten dezelfde verwarring ervaar als bij de Mattheus: is dit nou religie of is dit kunst? En uiteindelijk doet dat er niet toe, daar beiden gaan over dat wat de mens radicaal aangaat, waarbij de kunst vaak doet alsof het verleden er niet toe doet en de religie vaak doet alsof het verleden het enige is dat telt…
In dat opzicht kunnen ze veel van elkaar leren.
Over het gregoriaans: als leek kan ik horen dat de uitvoering niet de mechanische metrische versie is zoals die uitgevoerd werd tijdens de hoogtijdagen van het mechanistische wereldbeeld, tussen Reformatie en twintigste eeuw. Hier is duidelijk het restauratiewerk van de abdij van Solesme te horen, waarbij het ritme van de latijnse zin de melodie bepaalt. Maar in de Responsoria worden de verwijzingen naar nog oudere wortels van het Gregoriaans hoorbaar: het glijdende van het Arabisch: zoals die klinkt in de kerken van de Chaldeeërs, de Armeniërs, de Kopten, de Maronieten en zoals we vermoeden geklonken heeft bij Ambrosius.
‘… Deus, per omnia saecula saeculorum. Amen.’
En hiermee was
het programma van
het Studium Generale 2008:
Overgave,
ten einde
















Leave a Comment