Pedagogische spiritualiteit
Op woensdag 12 maart jongsleden vond er een discussie plaats in het auditorium van hogeschool Windesheim met als titel ‘Pedagogische spiritualiteit’.
Ik ging er naar toe met een behoorlijke dosis scepsis, omdat ik aan de ene kant wel vind dat spiritualiteit belangrijk is, maar aan de andere kant denk ik dat je dat soort zaken voor jezelf moet houden. ‘Gods verborgen omgang’ schreeuw je niet van de daken, of, laat ik duidelijk zijn, behoor je volgens mij niet van de daken te schreeuwen. Ik ken mensen die dat wel doen en erger me behoorlijk aan hun simpliciteit.
Drs. Bram de Muynck, lector Onderwijs en Identiteit aan hogeschool Driestar educatief te Gouda hield de inleidende lezing over dit onderwerp. Zijn belangrijkste stelling luidt dat spiritualiteit een belangrijk onderdeel is van het pedagogisch handelen van de docent. Hij stelt ook dat het ‘nieuwe leren’ maakt dat docenten minder pedagogisch kunnen handelen: ze worden door dit ‘nieuwe leren’ meer tot coach van het onderwijsleerproces van de leerling dan dat ze de leerling opvoeden.
Spiritualiteit, mits gehaald uit de wazige new age connotaties, zou dit pedagogisch handelen weer nieuw leven in kunnen blazen.
Hij begon er dan ook mee uit te leggen wat spiritualiteit volgens hem is. Het is, om maar meteen een domper te zetten op positivistische driften, niet te definiëren, maar alleen te benaderen, wat een handicap lijkt, omdat het dan ook niet te managen is. Het woord spiritualiteit bevat ’spirit’, en dat is: leven, ademen, bezieling, energiegevend. In het woord spiritualiteit wordt aangeduid dat er iets in het bestaan van de mens komt wat hem energie geeft om door te gaan. Dit komt dan ‘van buiten’, is ‘transcendent’. Dit kun je religieus uitleggen, maar dat hoeft niet. Het is de ervaring dat je soms door iets anders, een andere mens, of een plotseling uitzicht, een boek, een citaat, of wat dan ook, nieuwe energie krijgt, een nieuw perspectief op de dingen.
Het voorbeeld dat De Muynck gebruikt is dat van een onderwijzeres die door een combinatie van twee zaken (een eigen idee en de spontane reacties van haar leerlingen erop) zin krijgt om nieuwe lessen te gaan ontwikkelen. Ze komt eerder op school en gaat later weg, omdat ze zin heeft in deze nieuwe les. Een zin die ze naar eigen ervaring niet kan manipuleren, kan laten verschijnen als ze dat wil. Deze zin is ontstaan als transcendentale ervaring: de ontwikkeling van het idee voor een les en de enthousiaste reacties van haar leerlingen erop.
Er is vervolgens iets wat deze energie, deze zin, op zijn beurt oplevert, namelijk creativiteit. Door deze energie krijgt de docente uit het voorbeeld nieuwe ideeën, die ze enthousiast verder uitwerkt. Creativiteit is dan ook te omschrijven als ‘openheid naar het nieuwe’, naar de nieuwe mogelijkheden die de inspiratie gegeven heeft.
Vaak zit er bij deze transcendente zingevingservaring een biografisch element: er moet eerst een zingevingscrisis geweest zijn, een gebrek aan zin of aan energie. De mens die dit ervaart moet eerst leren loslaten: loslaten van de oude ideeën, of oude perspectieven, voordat het nieuwe inzicht, of de nieuwe energie kan komen.
Dit biografisch element kun je ook omschrijven als groeien, maar dan niet groeien als harmonieus proces, maar een ontwikkeling met crises, discontinuïteiten. Hegel (die De Muynck overigens niet aanhaalt) spreekt ook over geschiedenis als een ontwikkeling die niet harmonieus verloopt, maar door het echte negatieve heengaat: door de crisis, het lijden, de tegenspoed en zelfs de dood, ontwikkelt de geschiedenis zich.
Een conclusie hiervan is, dat de school (in het voorbeeld van de Muynck een pedagogische academie, maar ik vermoed dat dit voor elke school geldt) er rekening mee moet houden dat een deel en misschien wel een groot deel van de professionele scholing pas na de school zal plaatsvinden.
Een andere conclusie hiervan is het inzicht, dat er een verwevenheid bestaat tussen persoon en professie, iets wat in de huidige opleidingen niet altijd ingezien wordt. Door je persoonlijke ontwikkeling kun je beter worden in je professie.
De school kan condities ontwikkelen om deze spiritualiteit te helpen ontwikkelen. Het kan bijvoorbeeld de studenten leren goed te kijken, kan de verbeeldingskracht helpen stimuleren, kan proberen de studenten passie voor het eigen vak te laten ontwikkelen, kan de studenten helpen emoties in bepaalde processen te interpreteren, kan, omdat professionele ‘rijping’ na de school doorgaat, en misschien nog wel sterker wordt, een ander nascholingsbeleid proberen te ontwikkelen, etc etc.
De Muynck merkt tenslotte nog op dat er een onderscheid bestaat tussen religieuze en pedagogische spiritualiteit, maar ook een overlap. De overlap bestaat erin, dat de beide vormen van spiritualiteit elkaar kunnen versterken in ervaringen van transcendentie (de betrokken docent die een nieuw inzicht krijgt en er nieuwe energie uit put, kan religieus dankbaar zijn) en in verantwoording van het handelen (ook deze verantwoording kan religieus gefundeerd zijn: God heeft me deze taak gegeven).
Na zijn lezing nam Hans Alma, hoogleraar psychologie en zingeving en rector van de Universiteit voor humanistiek te Utrecht, het over. Zij reageerde als opponens op zijn lezing met een tegenlezing: Verbeeldingskracht en transcendentie.
Hoewel zij niet heel veel kritiek op zijn lezing had, ook niet op de religieuze kanten ervan, kwam ze met een interessante omkering. De Muynck, als vertegenwoordiger van de orthodoxere delen van de biblebelt, vertelt over transcendentie een optimistisch verhaal, een vrolijk verhaal waarin de gebrokenheid van de schepping, die in zijn kringen toch veelvuldig aanwezig is ontbreekt: inspiratie, de nieuwe energie die niet uit onszelf komt, levert na een crisis (dat dan weer wel) nieuwe creativiteit op, de lijn van de ontwikkeling is die van een groeiproces, discontinu, zeker, maar altijd naar boven.
Hans Alma, waarvan je zou verwachten dat ze een humanistisch, optimistisch levensgevoel rond straalt, legt juist de nadruk op de vreemdheid van de transcendentie: dat wat ons overkomt is niet zo maar onschuldig, het is vreemd. Ze kan zelfs een definitie van transcendentie (van Alain Finkelkraut overgenomen) voorleggen die als volgt gaat: Transcendentie is datgene wat tegenspel biedt. En bij Iris Murdoch leert ze dat transcendentie bij ons inbreekt. Het is niet beheersbaar, het is een onruststoker.
Bij mij kwam onweerstaanbaar het beeld van Mozes voor het brandende braambos op: de ervaring is angstaanjagend vreemd en verontrustend. Denk ook aan Zacharias (de latere vader van Johannes de Doper) die stom werd toen de engel hem verscheen.
Hans Alma geeft als definitie van spiritualiteit deze: Het is een duurzame houding van aandacht en verbeeldingsvolle betrokkenheid op het bestaan. Verbeelding is volgens haar (en John Dewey, van wie ze dit citeert) de mentale exploratie van alternatieve mogelijkheden. Aandacht, heeft ze geleerd van Iris Murdoch, is de rechtvaardige en liefdevolle waarneming van de werkelijkheid. Aandacht is de eerste aanzet tot verbeelding.
Transcendentie is dan niet een automatische volgende stap, maar iets verontrustend, wat net zo goed niet tot verbeelding, tot creatieve overwinning van de crisis zou hoeven te leiden.
Na deze lezingen was er een diner pensant, waarbij we de vraag voorgelegd kregen wat onze bronnen van spiritualiteit waren.
Het probleem bij zo’n vraag en in zo’n setting (met allemaal lieve, goedbedoelende mensen) is hetzelfde waarmee ik dit verslag begon: op het moment dat je de genade per megafoon uitbrult is het geen genade meer. Op het moment dat je de intiemste zaken, zoals spiritualiteit, moet operationaliseren, blijft er niet veel over.
Mijn antwoord was dan ook: ik weet niet waarom ik iets doe. Ik doe dingen en verzin daar dan soms een reden voor. En vervolgens wordt ik soms verrast door geluk en soms geschokt door depressie. Maar dat zijn niet krachten die op korte termijn mij stimuleren iets te doen of te laten.















Leave a Comment