Overgave – dinsdag
Op de tweede dag van Overgave heb ik alleen het symposium kunnen bijwonen: Erik Borgman, Gijs Frieling, Tineke Steenbrink en Karim Benammar onder gespreksleiding van Onno Zijlstra, filosoof en docent aan de CABK, ArtEZ academie voor beeldende kunsten te Zwolle en de PThU te Kampen (eerste foto, rechts). Jurriënne Ossewold, momenteel coördinator van de visuele communicatie opleidingen aan de CABK, was helaas verhinderd.
Erik Borgman is een theoloog uit Tilburg. Hij sprak, als eerste, over de verhouding tussen kunst en religie aan de hand van een citaat uit ‘Elisabeth Costello’ van J.M. Coetzee. In het laatste hoofdstuk van dat boek wordt een scène beschreven die lijkt op het Proces van Franz Kafka: Elisabeth Costello staat op bejaarde leeftijd in een Italiaans-achtig dorp voor een poort. Ze weet dat ze door die poort moet, want wat is er verder te doen in het dorp waar iedereen bezig is door de poort te gaan?
“The lodge, put together of prefabricated wooden panels, is stiflingly hot. Inside, behind a small trestle table, sits a man in shirtsleeves, writing. A tiny electric fan blows a stream of air into his face.
‘Excuse me’, she says. He pays her no attention. ‘Excuse me. Can someone open the gate for me?’
He is filling in some kind of form. Without ceasing to write, he speaks. ‘First you must make a statement.’
Voordat ze door de poort kan, moet ze een statement, een verklaring, afleggen. Een document schrijven waarin ze verteld waarin ze gelooft.
In het begin van dit Kafkaesk verhaal weigert ze te vertellen waarin ze gelooft. Of liever, ze stelt dat ze nergens in gelooft:
“I am a writer, a trader in fictions (…) I maintain beliefs only provisionally: fixed beliefs would stand in my way. I change beliefs as I change my habitation or my clothes, according to my needs. On these grounds – professional, vocational – I request exemption from a rule of which I now hear for the first time, namely that every petitioner at the gate schould hold to one or more beliefs.”
Dit is niet voldoende om haar door te laten.
Na nog een paar pogingen van haar om onder de geloofs-vraag uit te komen, vertelt ze haar rechters het volgende.
Ze is opgegroeid op het Australische platteland, bij een rivier, die jaarlijks droog valt en aanzwelt tot enorme breedte als gevolg van zware regenbuien. In de oevers van die rivier leven tienduizenden kleine kikkers, schijnbaar dood tijdens de droogte, druk kwakend tijdens de regens.
“‘What do I believe? I believe in those little frogs. Where I find myself today, in my old age and perhaps my older age, I am not sure. There are moments when it feels lik Italy, but I could easily be mistaken. (…) But the Australian continent, where I was born into the world, kicking and squalling, is real (if far away), the Dulgannon and its mudflats are real, the frogs are real. They exists whether or not I tell you about them, whether or not I believe in them.
It is because of the indifference of those little frogs to my belief (…) that I believe in them.”
De rechters vragen haar of haar jeugd bij de Dulgannon weer een ander van haar verhalen is, maar zij blijft bij haar statement: “De rivier bestaat, de kikkers bestaan, ik besta. Wat wilt u nog meer?” Eén van haar rechters vraagt haar of ze misschien in het leven gelooft.
“‘I believe in what does not bother to believe in me.’”
Tot zover de verwijzing naar ‘Elisabeth Costello’.
Volgens Borgman doet de kunst en de religie datzelfde: geloven in datgene wat niet in mij gelooft, geloven in de wereld, de ‘echte’ wereld, de wereld van de droge en volle rivier, de wereld van de kikkertjes.
Dit is tegelijk overgave en verzet. Het is overgave omdat je je over moet geven aan de wereld. De religie heeft er weet van dat je niet teveel met jezelf, met je eigen ziel, bezig moet zijn. Dan verlies je juist jezelf.
Maar het is ook verzet tegen die wereld, omdat de wereld niet is zoals ze moet zijn. Vormgeving is verzet tegen de nare kanten van de wereld.
Eigenlijk moet je nog dieper nadenken, want je bent natuurlijk zelf ook deel van de wereld aan wie je je met al je kritiek en verzet overgeeft. Dus is het de wereld zelf die om verzet vraagt. De religie begrijpt dit mechaniek: de wereld lokt ons uit om de de wereld te verbeteren.
Het eigene van de kunst is, dat ze een meerwaarde heeft in de materie, die altijd nog iets meer zegt dan wij er in willen leggen. De kunstenaar is dus maar relatief vrij.
Jammer genoeg moest Erik Borgman na deze lezing en een korte vragenronde weg, want de volgende spreker, Gijs Frieling, kunstenaar en directeur van galerie W139, had juist over deze relatieve vrijheid van de kunstenaar veel interessants te zeggen.
Een kunstenaar geeft zich over aan zijn handelen. Het materiaal spreekt en de kunstenaar moet zich daaraan overgeven. Het gaat niet om het vormgeven van ideeën, maar om het overgeven aan het handelen, aan het materiaal.
De kunstenaar kan dit doen, omdat er heel veel mensen zijn die dat niet doen, die zich niet overgeven in deze extreme artistieke manier, maar die consumeren en produceren. Door deze mensen, die kunst kopen of subsidiëren, wordt de kunstenaar vrijgesteld voor deze overgave.

Clavecimbaliste Klaveciniste en organiste Tineke Steenbrink had het vervolgens over de voortdurende oefening die een kunstenaar moet doorworstelen om ook maar in de buurt van overgave te komen.
Overigens had ze moeite met de term ‘overgave’. Maar over de relatie tussen oefenen, oefenen, oefenen en improvisatie was ze duidelijk: eerst oefenen, dan pas kun je improviseren.
Gijs Frieling beaamde dit voor de schilderkunst.
De filosoof Karim Benammar hield zijn verhaal ‘Overvloed en overrompeling’ aan de hand van gedichten van Hafez, uit het Perzië van de 14e eeuw. Een mooi voorbeeld van zo’n gedicht is:
“De zon kreeg een glimp van God’s ware natuur
En is nooit meer hetzelfde geweest
Dit stralend hemellichaam
Schenkt constant zijn energie over deze aarde
Zoals Hij dat doet achter zijn sluier
Waarom, met zo’n geweldige God, is iedereen dan niet ladderzat?
Als Hafez zou moeten raden:
Elke gedachte dat je beter of slechter bent dan een ander
Breekt onmiddellijk het wijnglas”
(vertaling/bewerking Ladinsky)
Wat mij aantrok in zijn verhaal is de voortdurende overvloed van de wereld, in protestantse termen zou je kunnen zeggen dat God altijd genadig is. ‘Elke morgen is zijn goedertierenheid nieuw” zei een tante van mij altijd.
Wat voor mij wat problematisch was, en wat door een aantal studenten in de zaal ook werd genoemd, was het ontbreken van het negatieve in deze wereld: de ellende die er is, is slechts jouw slecht spreken van de ander, jouw jaloezie: “Elke gedachte dat je beter of slechter bent dan een ander breekt onmiddelijk het wijnglas”, zegt Hafez. Oftewel: het kwaad in de wereld ligt aan jouw foute bril, aan jouw naijver (om nog maar een mooi oud woord te gebruiken). De studenten hadden het trouwens niet over het kwaad in de wereld, maar over de saaiheid van een wereld die alleen maar overloopt van goedheid.















Leave a Comment