Creative economy in Zwolle I

Er zijn de laatste tijd een aantal ontwikkelingen op gebied van de creative economy in Zwolle aan de hand, die in ieder geval gedeeltelijk terug te voeren zijn op de verhuizing van de kunstacademie van Kampen naar Zwolle.
In Kampen was de kunstacademie, de CABK, die momenteel deel uit maakt van ArtEZ hogeschool voor de kunsten, een kloosterachtige instelling. Dat was in elk geval de bedoeling van de stichters geweest en zo heeft het ook uitgepakt. Het kloosterachtige van de academie zat hem niet in het christelijke, hoewel dat wellicht op de achtergrond een beetje meegespeeld heeft. De stichters kregen in de jaren ‘70 van de vorige eeuw een cadeautje in de schoot geworpen: een aantal leegstaande kazernekomplexen in Kampen. Deze waren vroeger van het Koninklijk Nederlands Indische Leger geweest en daarna hadden die gebouwen dienst gedaan o.a. als kantoor voor de Rijksdienst voor de IJsselmeerpolders tijdens de verwezelijking van het Plan Lely.

Maar nu stonden die leeg en de stad Kampen zocht naar een andere bestemming. Via de toenmalige burgermeester werd contact gelegd met het Christelijk Cultureel Studiecentrum, dat toen net bezig was plannen te maken voor een kunstacademie met emanciperende doelstellingen voor het protestantse volksdeel, een volksdeel dat immers niet overmatig ruim bedeeld is met antennes voor beeldcultuur.
Toen duidelijk werd dat Kampen een reële optie was voor de kunstacademie (en overigens niet alleen de kunstacademie, maar ook een academie voor expressie door woord en gebaar en de academie voor journalistiek en de sociale academie) begon het ‘kloosterconcept’ langzamerhand een vorm te krijgen: omdat Kampen gespeend was van het culturele leven in de randstad, zouden de studenten buiten de muren van de academie niet verleid kunnen worden door wereldse genoegens. Ja, nog sterker: omdat er niets in Kampen te doen was, zouden de docenten de studenten helemaal kunnen vormen naar hun idealen: hard werken binnen de muren en veel excursies naar tentoonstellingen en steden die interessant genoeg voor hun vorming konden zijn.
Als gevolg hiervan vonden er nauwelijks wisselwerkingen tussen Kampen en de Academie plaats, enkele notoire uitzonderingen daargelaten: de themafeesten, de eindexamententoonstellingen, de ruzies tussen studenten en autochtonen, en de fameuze intocht van de koningin, welkom geheten door poorten en hoofden gemaakt door kunst-studenten.
Ook na de studie bleven er maar weinig kunstenaars en ontwerpers in Kampen wonen. De overgrote meerderheid trok weg, weg naar de randstad, naar Antwerpen, Berlijn en verder.
Met de komst naar Zwolle, naar het voormalige Sophia ziekenhuis, veranderde er veel. Niet alleen moesten er tal van logistieke problemen opgelost worden (de milieumaatregelen van de werkplaatsen werden in Kampen bijvoorbeeld gedoogd omdat ze toch zouden verhuizen, maar in Zwolle moesten de regels wel opgevolgd worden), maar ook nam de hoeveelheid beschikbare nuttige ruimte per student met de helft af. Hoezeer die maatregel ook begrijpbaar was (de hoeveelheid ruimte die de academie mag gebruiken heeft natuurlijk direct verband met de hoeveelheid geld die de samenleving hiervoor ter beschikking stelt), ze schotelde de academie grote problemen voor, die slechts met moeite op te lossen waren.
Maar de belangrijkste veranderingen lagen toch niet op dit organisatie-terrein. De verwachtingen van de Zwolse samenleving naar de mogelijkheden die de academie boodt en de veranderende inzichten van de directie & management van de academie, die een grotere nadruk legden op de communicatie van kunstenaars / vormgevers met de samenleving, zorgden voor een serie veranderingen die het karakter van het onderwijs ingrijpend aantastten. Er werden meer stages georganiseerd, maar er kwamen vooral meer projecten waarin het onderwijs samenwerkte met partijen uit Zwolle en omgeving, projecten met uitgeverij Waanders bijvoorbeeld en met de Isala ziekenhuizen.
Dat alles leverde vervolgens ook weer een ander idee op van de verantwoordelijkheid van de kunstacademie voor de samenleving. Tot dan toe werd die ongeveer als volgt geformuleerd: het opleiden van geschikte kunstenaars en ontwerpers en docenten CKV. Maar nu begonnen ook ideeën van de creatieve economie mee te spelen. De academie heeft een bepaalde hoeveelheid knowhow en die kan gebruikt worden om oudstudenten te blijven stimuleren in hun carrière, om een cultureel debat in de regio aan te zwengelen en om de creative class in de omgeving van de academie te helpen met hun éducation permanente.

Één van de projecten die de laatste tijd vanuit de academie op dit gebied zijn ontstaan is de zelfstandige stichting Het Instituut, een initiatief van Johan Wagenaar, docent van de afdeling Autonome beeldende kunst. Dit is een afdeling waar traditiegetrouw autonome kunstenaars worden opgeleid: schilders, beeldhouwers, keramisten, grafici, videokunstenaars, installatiekunstenaars, etc etc.
Dit is het soort van afdeling dat in de magere verbeeldingskracht van de politiek het eerste bezuinigd zou moeten worden. Er zijn veel te veel kunstenaars, zo luidt het gerucht in Den Haag. Ze teren op onze belastingeuro’s en we krijgen er hooguit een schilderijtje voor terug.
Het Instituut, dat oa bekostigd wordt door stad Zwolle en vooral de Provincie Overijssel en waarvan Johan Wagenaar de artistieke leiding heeft, gaat uit van een totaal andere opvatting over de rol van de kunstenaar in onze samenleving.
Het Instituut behandelt in afzonderlijke case studies maatschappelijke vraagstukken: grote infrastructurele vraagstukken, zoals de aanleg van nieuwe snelwegen, de ontwikkeling van de polikliniek van de toekomst en alternatieve vormen van toerisme. Deze vraagstukken worden in onze complexe samenleving vaak benaderd vanuit een beperkt aantal invalshoeken, die allemaal door experts ingebracht worden: een technische en wetenschappelijke benadering, een systematische benadering, die zelfs de gebruikers probeert te betrekken middels info-middagen en enquetes. Maar het nadeel van zo’n technocratische invalshoek, naast alle voordelen die het heeft, is dat er voortdurend de argwaan heerst dat niet alle mogelijke oplossingen bekeken worden, of misschien ook wel, dat niet alle mogelijke invalshoeken om naar het probleem te kijken worden meegenomen.

Het Instituut wil een bepaalde vraagstelling, bijvoorbeeld het aanpakken van de N340 in Overijssel tussen Zwolle en Ommen, niet alleen door teams van experts laten bekijken, maar hierop ook de aandacht van kunstenaars laten richten. Kunstenaars en vormgevers hebben namelijk de ingebakken neiging om vaststaande waarheden te wantrouwen en op eigen wijze nogmaals het wiel uit te vinden. Een wiel dat er dan net even anders uit zou kunnen gaan zien dan de bestaande wielen.
Een kunstenaar heeft niet voldoende technische kennis om bijvoorbeeld de genoemde N340 om te bouwen van een 80km tot een 100km weg en die weg bovendien veiliger te maken en ook nog de leefbaarheid van de omgeving te vergroten, maar hij kan wel de technische ingenieurs op andere ideeën brengen dan die ze al vanaf hun technische opleiding meegekregen hebben. Zo’n interdisciplinair team wordt door het Instituut samengesteld. Uit de infokrant Grid#00:
‘Vanaf het eerste uur zijn de creatieven in de teams vertegenwoordigd en krijgen de scheppende kunsten een gelijkwaardige plaats naast de sociale- en ontwerpdisciplines. Vooral kunstenaars zijn in staat om in schijnbaar vastgelopen zaken nieuwe invalshoeken te ontdekken.‘
Op de ‘launch’ van het Instituut, op vrijdag 4 april, die gehouden werd in de kringloopwinkel van Zwolle, werd door Annelies van der Horst van de provincie Overijssel een enthousiaste ondersteuning gegeven aan de hierboven beschreven wisselwerking tussen kunstenaars en technici. Zij maakte duidelijk dat er naast de aloude argwaan in de politiek jegens de kunstenaar als klaploper, ook een ander geluid te horen valt, een geluid dat spreekt over de kunstenaar als creatieve ondernemer, als lid van de creative class die als kunstenaar nuttig is voor de verdere ontwikkeling van de creative economy, van onze zeer complexe samenleving.
In de krant van het Instituut Grid#00 wordt op pagina 3 het volgende verteld over het eerste project, de N340 tussen Zwolle en Ommen:
‘Case
N340
Provincie Overijssel
Eveline Vermeulen – Projectleider case study N340
De eerste case study van het Instituut wordt in de inleiding van de nota Resultaten Nadere Verkenning N340 als volgt geïntroduceerd:
‘De provincie Overijssel wil de provinciale weg N340 tussen Zwolle en Ommen inrichten als een 100 km/uur stroomweg, de weg veiliger maken en de leefbaarheid vergroten. Deze opwaardering is nodig omdat de regionale bereikbaarheid de komende jaren verbeterd moet worden.’
Eerdere plannen voor de opwaardering van de provinciale weg zijn om uiteenlopende redenen verworpen. Nader onderzoek naar de verkeersintensiteit heeft uitgewezen dat de N340 een 2×2 (twee maal tweebaans) autoweg zou moeten worden. De richtlijnen voor de milieu effectrapportage schrijven voor dat verschillende tracéalternatieven moeten worden onderzocht.
Zo staat de zaak ervoor begin april 2008. Ongetwijfeld zullen er nog vele rapporten en nota’s geschreven worden over de provinciale weg om te komen tot een beredeneerde en verantwoorde Startnotitie N340; vanuit infrastructureel of ecologisch oogpunt gezien, vanuit de weggebruiker, de boer, de bewoner, vanuit de diverse betrokken bestuurlijke partners en belangenorganisaties.
Naast de pragmatische zaken die komen kijken bij een grootschalige ontwerpopdracht als de N340, is het nadrukkelijk de bedoeling van de provincie Overijssel om aandacht te besteden aan culturele aspecten van de gebiedsontwikkeling. De ‘opwaardering’ van een provinciale weg gaat niet alleen over het tracé, maar ook over het landschap met zijn specifieke cultuurhistorische waarden en geschiedenis. Naast structuren, bodemprofielen en schaalniveaus, gaat het ook over immateriële waarden van bepaalde plekken en verhalen, herinneringen.
De provincie Overijssel zoekt op dit punt contact met stichting het Oversticht en met het Instituut om een case study te wijden aan de N340. Aan het Instituut de taak de scheppende disciplines bij de ontwikkeling van de provinciale weg te betrekken.
Hoe kijken (jonge) beeldend kunstenaars en ontwerpers, (landschaps) architecten en talenten uit andere disciplines naar de weg Zwolle – Ommen? Zien zij een andere rol voor de ontwerper weggelegd, moet er meer poëzie, ritme en creativiteit in het proces? Welk landschap hebben zij voor ogen? Is dat utopisch, romantisch, platvloers, of beschouwen zij het voorbijglijdende landschap vooral als televisiebeelden? Plannen zij een stiltegebied om de rust en ruimte te eerbiedigen of wordt voorgesteld om een kartbaan aan te leggen op het noordelijke tracé om de oorverdovende stilte te doorbreken? Kunnen coloriet en abstractie, lijnvoering, beweging en geluid misschien ook een rol spelen in het ontwerp?
De komende tijd gaat het Instituut de case study N340 inrichten. Een interdisciplinair team wordt samengesteld, dat onder leiding van een aantal masters (professionals die een masterclass kunnen geven) en mogelijk een coach, ideeën en plannen gaat ontwikkelen voor de N340. Gezocht wordt nog naar een atelier achtige ruimte langs het tracé, waar het team zich kan terugtrekken voor een intensieve studieperiode. In deze ruimte kunnen workshops en lezingen plaatsvinden, gastsprekers worden ontvangen, presentaties worden gehouden en ervaringen worden uitgewisseld tussen gedreven deskundigen en oprukkende talenten. Be inspired.
Tot dusverre hebben de volgende masters hun medewerking toegezegd: choreograaf Hans van Manen, landschapsarchitecten Michael van Gessel en Katie Tedder en filosofe / dichter Renée van Riessen.’
De foto’s van het tracé van de N340 en van de choreograaf Hans van Manen komen uit Grid#00 en zijn eigendom van respectievelijk Michael van Gessel en Erwin Olaf.















Leave a Comment