Dood wees niet trots
“Death be not proud, though some have called thee
Mighty and dreadfull, for, thou art not so,
For, those, whom thou think’st, thou dost overthrow,
Die not, poore death, nor yet canst thou kill me.
From rest and sleepe, which but thy pictures bee,
Much pleasure, then from thee, much more must flow,
And soonest our best men with thee doe goe,
Rest of their bones, and soules deliverie.
Thou art slave to Fate, Chance, kings, and desperate men,
And dost with poyson, warre, and sicknesse dwell,
And poppie, or charmes can make us sleepe as well,
And better then thy stroake; why swell’st thou then;
One short sleepe past, we wake eternally,
And death shall be no more, death thou shalt die.”
John Donne, Holy Sonnet X
Een thema de vastentijd waardig: Dood wees niet trots, hoewel sommigen jou machtig en angstwekkend genoemd hebben… Maar aanleiding voor deze blog is niet de lijdenstijd vòòr de Pasen, maar de film Wit (Verstand) van Mike Nichols met Emma Thompson en muziek van onder meer Arvo Pärt en Gorecki, uit 2001.
De film begint met een dialoog tussen een dokter en een patient, waarin de dokter (Christopher Loyd) de patient (Emma Thompson) vertelt dat ze fase IV kanker aan de eierstokken heeft. ‘Er is geen fase V‘ zegt Emma tegen de kijker als ze vervolgens met een kaal hoofd in nachthemd op een ziekenhuisbed zit. De kans is groot dat ze dood gaat, hetzij door de kanker, hetzij door de zware behandeling die ze gaat krijgen. “Ik moet erg hard voor mezelf zijn” zegt ze, “want het is een zaak van leven en dood. En ik ben een expert op zaken van leven en dood, want ik ben een professor in 17e eeuwse dichtkunst, gespecialiseerd in de Holy Sonnets van John Donne.”
Behalve de, in mijn ogen althans, realistische ziekenhuis-situatie met de pijn, de misselijkheid en de vernederingen door de behandeling als een object, een onderzoeksobject, heeft de film een interessant aspect: Vivian Bearing, de professor die gespecialiseerd is in John Donne en die genadeloze woord-steekspelen uitvecht met haar slordige studenten, spreekt geregeld tussen de scènes door met ons, haar publiek. Een grappig moment vindt plaats als ze nadenkt over de traagheid en tegelijk schaarsheid van de tijd. Het trage nachtelijke waken tussen de hoogtepunten van operaties en onderzoek en misselijkheid en pijnscheuten door, beslaat de grootste fase van het ziekenhuisbestaan. En als ze zelf de regisseur van deze film zou zijn, wat ze in werkelijkheid gedeeltelijk ook is naast de beroemde Mike Nichols, dan zou zo’n waak-scène 15 minuten lang duren, maar goed, dat is te veel voor de doorsnee-kijker en dus:

Emma Thompson die de zieke professor Vivien Bearing speelt, die op haar beurt de regisseur van de volgende scène speelt:
“Laten we zeggen dat het vrijdag-morgen is. ‘Grote ronden’ noemen ze het. ‘Actie!’” Het licht verandert van kleur en de dokters, co-assistenten en verpleegsters komen achter de grote oncologist Harvey Kelekian (ietwat karikaturaal gespeeld door Christopher Loyd, de gekke professor uit Back to the Future) binnen en voeren hun intellectuele steekspel over het proefkonijn, de kankerpatient, uit.
Dit directe spreken met het publiek heet sinds Denis Diderot het zo genoemd heeft: het doorbreken van de vierde wand, de barrière tussen het toneel en het publiek. Emma Thompson laat zo haar eigen gevoelens en gedachten zichtbaar worden voor het publiek terwijl ze als een laboratorium-rat behandeld wordt door het ziekenhuis. Haar observaties van haar eigen gedachten, maar ook van de relaties tussen de kanker-specialist en zijn studenten, vormen bijna de grootste genoegens (als ik dat zo mag noemen bij zo’n ernstig onderwerp) van het kijken naar deze film.
Ik zal het einde niet verraden, maar het is al duidelijk geworden uit de allereerste dialoog van deze film dat het onderwerp de dood is. Van haar eigen professor heeft Vivien Bearing geleerd dat de dood in Holy Sonnet X niet al te serieus genomen moet worden: de dood is geen punt-komma tussen leven en eeuwig leven, en zeker geen uitroepteken. De dood is een komma, bijna betekenisloos. De dood is niet belangrijk. Dat is ook het thema van dit sonnet van John Donne.
De titel van de film is ‘wit’ ‘verstand’. Dat heeft ze haar hele carriere nagestreefd: briljant gebruik van haar verstand, snoeihard analyseren van de metafysische gedichten van Donne. Ze wilde altijd meer dingen weten. Net als de oncoloog en zijn brilliante student: meer dingen weten. Maar in haar ziekbed, zieker gemaakt door de behandeling, angstig door onzekerheid over haar toekomst, ontdekt ze dat dit verstand niet voldoende is, zeker niet voldoende om de eenzaamheid en de pijn aan te kunnen. “Nu is niet de tijd van verbaal woordspel, nu is de tijd voor, durf ik het te zeggen? voor aardig-zijn, voor medemenselijkheid. Ik dacht dat extreme intelligentie voor alles kon zorgen, maar nu ben ik overtroefd… Ik ben bang.”
Dit is de ontwikkelingsgang van de patiënt in deze film: van trots mens, steunend op haar ‘wit’, naar de les van naastenliefde. Er is ook een ontwikkeling van de omgeving: in het begin een groep van louter technocraten die haar als proefkonijn beschouwen. Tegen het midden van de film komt de verpleegster als echt mens (mensch, zeggen de chassidim) naar voren die de patiënt naastenliefde bewijst (om maar een verouderde term te gebruiken die niet in de film wordt gebruikt, mind you). Maar er is ook de razend interessante komst van de oude leermeester van de patiënt. Dezelfde die haar als jonge, sociaal onhandige student literatuur dwong te kijken naar een grondige analyse van sonnet X: waarin de dood niet belangrijk wordt geacht, maar slechts een komma in de laatste regel is, tussen ons bestaan en het eeuwige leven. Deze, nu bejaarde, leermeester, ziet haar leerling liggen in het ziekenhuisbed, ze wist niet van haar ziekte (trots en nogal eenzaam als de patiënt was, heeft ze niemand verteld van haar conditie en krijgt ze ook nooit bezoek) en is begaan met haar ellende. Ze pakt een kinderverhaaltje uit haar tas The Runaway Bunny, dat ze net gekocht heeft voor haar achterkleinzoon, en begint voor te lezen over het konijntje dat zelf de wereld wil ontdekken. “Ah” zegt ze “een metafoor van de ziel die wegvlucht van haar Schepper.” Uiteindelijk komt het konijntje weer terug bij de moeder, die haar een wortel geeft. Alles is weer goed. Terwijl ze leest, zittend op het ziekbed naast de patiënt, die uitgeput is van de pijn, lijkt de scène op een moeder die een, uiteindelijk, slapend kind omarmd houdt.
De film houdt geen theologische verhandelingen over de vorm van het toekomstige, eeuwige leven aan de andere kant van de komma, net zoals Jezus in antwoord op de vraag van de schriftgeleerde naar het eeuwige leven uiteindelijk antwoordt met de gelijkenis van de barmhartige Samaritaan. Het eeuwige leven, rechts van de komma van de dood, is in ieder geval barmhartigheid, naastenliefde, zoals de verpleegster met haar patiënt en de moeder met haar kind.
“Death be not proud, though some have called thee
Mighty and dreadfull, for, thou art not so,
…
One short sleepe past, we wake eternally,
And death shall be no more, death thou shalt die.”
Een indrukwekkende film, terecht beladen met prijzen.











































































