
John Updike
Toen John Updike op 27 januari van dit jaar overleed, was dat weer aanleiding een boek van hem te lezen. Elk boek van hem, van af het vroegste begin, bijvoorbeeld Rabbit Run, tot aan het einde, bijvoorbeeld de Widows of Eastwick, is een genot om te lezen, vol barokke beschrijvingen en psychologische inzichten. In Kunst en mystiek I heb ik volgende over Updike’s beschrijving van Lucretius, De Rerum Natura, gezegd:
Updike is meesterlijk in het tegelijk ironisch en liefdevol beschrijven van de hoop die iemand kan ontlenen aan het volstrekt hopeloze, de troost die geput kan worden uit het volstrekt onverschillige: de materie, die toevallige willekeurige botsingen van de ondeelbare deeltjes.
En het lijkt wel of Updike dat altijd probeert: troost te putten. Dit is niet iets wat direct zichtbaar is. In ieder geval niet voor veel critici. De Daily Express meldt: “Updike is the master of the fleeting moment, the point at which the seemingly mundane becomes crystallized into realizations of the most profound insight.” En Time citeert in zijn obituary John Upike ‘the observor’: “My subject is the American Protestant small town middle class. I like middles. It is in middles that extremes clash, where ambiguity restlessly rules.” Updike als de observator, die de tegenstrijdigheden van de White Anglo Saxon Protestant in de USA genadeloos bloot legt.

John Updike
Natuurlijk is dit beeld niet onterecht, want hij observeert inderdaad genadeloos, maar daar is niet alles meegezegd. Hij kan bijvoorbeeld prachtig en humorvol over zijn observaties schrijven. En ook dat is niet alles. Gelukkig maar, want een kunstwerk dat alleen maar scherp observeert en ons vervolgens in mooie volzinnen, gekruid met wat humor, de observaties voorzet is niet blijvend interessant. Het wordt pas interessant als het ons ook iets over ons zelf leert. En Updike leert ons inderdaad iets over onszelf, al was het maar omdat hij onze cultuur beschrijft met een gepaste hoeveelheid mededogen.
Neem nou het boek dat ik uit mijn boekenkast haalde toen ik in de krant las dat Updike overleden was: Seek my face. Het verscheen in 2002, maar het is geschreven juist voor de val van de Twin Towers in september 2001. Het onderwerp is de zeer romantische en bijna heroïeke geschiedenis van het Abstract Expressionisme, de eerste echte Amerikaanse kunstvorm met Jackson Pollock, Barnet Newman en Mark Rotko, uitlopend in de Popart van Andy Warhol. De vorm van het boek is een interview van een jonge journaliste met een oude kunstenares en drievuldige weduwe.

Jackson Pollock, foto door Hans Namuth uit Wikipedia
Haar eerste echtgenoot, een kunstenaar is duidelijk gebaseerd op het leven van Jackson Pollock. En zijn vrouw, Lee Krasner, is voor een groot gedeelte een inspiratiebron voor de hoofdpersoon van Seek my face. Maar ondanks deze overeenkomsten is het boek geen kunsthistorisch betoog, of in ieder geval niet alleen. Het interview van de jonge kunsthistorica met de oude kunstenares, Hope genaamd, geeft Updike de mogelijkheid om in het tijdsbestek van 1 dag de hele geschiedenis van de New Yorkse kunstscène vanaf de jaren dertig tot aan ongeveer de jaren zeventig te behandelen. En hij doet dat fenomenaal. Ik heb nergens zo’n inzicht gekregen in de motivaties, de verwachtingen en angsten van iemand als Jackson Pollock als in dit boekje. Ook de reacties van het publiek, de medekunstenaars en de galeries (Peggy Guggenheim, bijvoorbeeld), op deze nieuwe, deze echt Amerikaanse kunstvormen, worden in de herinnering van de oude Hope beschreven met zoveel psychologisch inzicht en een door haar ouderdom afgevlakte mixture van heimwee naar en afkeer van die periode uit haar leven, dat het boek geen afgeronde kunstperiode oproept, maar een levende stroom, waarin de begeerten en wensen en angsten heel dicht tot ons komen:
I saw how he suffered making them (said Hope to Kathryn), those early ones, when they still had names and were more vertical than horizontal in shape, are among my favourites. Galaxy - they were all galaxies in a way. We could see the stars out on the Island in a way we could never in the city. Full Fathom Five, Sea-Change, when there was still some brushwork mixed in with the drips. Cathedral, Phosphorescence. He had discovered aluminium paint, gallons of it sold right of Henry Drayton’s shelves. There had never been anything like those paintings he did in the cold those first winters. He said it was cold but the light, with the snow, in the barn was glorious. He was so excited how they were turning out, so proud that, as you know, one of the first mural-sized ones, he slapped his hand loaded with black paint along the top as if to say, ‘I made this’. (pag 92)
And there is so much innocence in that man dancing and kneeling around the piece of canvas on the floor, such sweet childish absorption in the doing, that I want to hug him and beg his forgiveness for bringing him out to where he could wrestle beauty to a fall and yet being unable to show him how to get any lasting happiness out of his having done it. (pag 103)

John Updike
Maar het boek heeft niet alleen als thema het oproepen van die historische tijd, van die nu overleden mensen en hun valer wordende kunstwerken. Het probeert nog een andere laag aan te boren. Dat wordt in de eerste plaats al duidelijk uit de titel: Seek my Face wat een citaat is uit Psalm 27:
You speak in my heart and say, “Seek my face.” Your face, Lord, will I seek.
of in de Statenvertaling:
Mijn hart zegt tot U: Gij zegt: Zoek Mijn aangezicht; ik zoek Uw aangezicht, o HEERE!
Harold Rosenberg noemde de stijl van Pollock Action painting en benadrukte dat de handeling op het canvas een bevrijding van waarde, van politieke, esthetische en morele waarde, was en Clement Greenberg, een andere Amerikaanse kunstcriticus, zag de hele kunstgeschiedenis tot nu als een voortgaande bevrijding van historische inhoud, en Jackson Pollock als de culminatie van die beweging. Maar met de titel Seek my face, benadrukt Updike dat er nog iets anders aan de hand is in de kunstgeschiedenis. Dat met de stellingname van de Rosenbergs en Greenbergs niet alles gezegd is. Dat ‘iets anders’ is natuurlijk een religieuze of in ieder geval een existentiele laag in de kunst. Updike betoogt met de titel hetzelfde wat een andere lijn van kunsthistorici, om te beginnen met Robert Rosenblum, en zijn boek Modern Painting and the Northern Romantic Tradition: Friedrich to Rothko, betoogt, namelijk dat er naast een zuivere vormgeschiedenis in de kunst ook een andere lijn aan te tonen is. En die lijn is een complement van de secularisatie of ontkerkelijking van de westerse samenleving. Een lijn die juist probeert op te zoeken wat er in de secularisatie verloren ging.
Waar een negentiende eeuwse bioloog als Ernst Haeckel de materialistische stelling aanhing dat er niets buiten de materie is, dat alles wat er is uiteindelijk te herleiden valt tot materie, tot die toevallige willekeurige botsingen van de ondeelbare deeltjes, zoals Updike het in The Witches of Eastwick beschrijft, daar zoeken sommige kunstenaars (en volgens Rosenblum zijn dat hele generaties kunstenaars, vanaf Friedrich tot aan Rotko toe) in de abstractie naar het Aangezicht van God.

John Updike, alle fotos afkomstig van de talkshow Charlie Rose, 12 november 2008
En ook deze laag is niet de laatste, meest diepe laag van het boek van Updike, want het is ten diepste een roman, een kunstwerk met alle ambivalenties van dien. Updike betoogt in dit boek niets. Hij roept werelden op. Hij beschrijft het proces van herinnering in de ouder wordende Hope. Een herinnering die steeds weer teruggrijpt op haar vroegste jeugd in de protestantse Quaker gemeenschap van Pennsylvania. Seek my face begint met deze vroegste jeugd, heeft er gedurende het interview voortdurende flashbacks naar (bijvoorbeeld via de leunstoel van haar opa Ouderkirk, die nu in haar woning staat), en eindigt met een visioen van haar grootvader die haar bezoekt. En dit bezoek is tegelijk een herinnering aan de geborgenheid van haar vroegste jeugd, als een soort voortuitblik naar een hemel waarin Hope wel of niet gelooft. De ontroering die deze laatste scène bij me opriep was dezelfde die in Home, van Marilynne Robinson, getriggerd werd. Daar, net als in Seek my face, is ‘thuis’ de ongemakkelijke verwijzing naar de hemel. Het is ongemakkelijk omdat er altijd de kans is dat het zoeken (in het verleden of in de abstractie) niets vindt. De allerlaatste woorden van de roman zijn dan ook ‘and she is afraid of finding nothing‘.
Maar zoeken dat blijven we doen.
Arminiuzz Literatuur Boeken, Kunst, Religie